Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
door meer uitbreiding en ontwikkeling in eenen anderen kan
zijn overgegaan? Vooral voor de eerste zienswijze zijn tot
nog toe de meest geldende gronden aangevoerd. Bij eene
zoo veel mogelijk juiste oplossing van dergelijke vraagstukken
heeft de natuurkunde inderdaad belang, en omgekeerd moet
al het zoeken en werken van de natuurkundigen na verloop
van tijd o. a. daarop uitloopen, dat dezen genoeg gegevens
kunnen leveren, om eene beantwoording te beproeven van
vraagpunten, waardoor een overzigt van het geheel wordt
bevorderd en zoo b. v. een goed begrip van het verband
tusschen hetgeen er bestaat en bestond wordt gevestigd. Al
ligt gebeurt het, dat men op jeugdigen leeftijd over zulke
kwestiën gaat philosopheren, te meer omdat er iets verlei-
delijks in ligt, over verborgenheden, welke het verledene
betreffen, na te denken. Daarbij is echter de grootste om-
zigtigheid aan te bevelen, omdat alsdan in den regel nog de
eerst door veel studie en ervaring te verwerven grondige
kennis ontbreekt van de voorwerpen, waarover men fantaiseert,
zoodat al dat gehaspel eer tot verwarring dan tot helderheid
voeren kan. Behalve dus het dikwijls onvruchtbare van derge-
lijke redeneringen, bestaat nog bovendien het gevaar, dat men,
in zijne onwetendheid, vaak zijsprongen maakt en besluiten
trekt, die zich veel verder uitstrekken dan men misschien zelf
aanhankelijk wilde, zoodat men b. v. over planten sprekende,
al spoedig het oog op de dierenwereld rigt, zelfs eindelijk
ook den mensch in dien doolhof van voorstellins;en betrekt
en zich zoodoende tot het aannemen van meeningen laat
verlokken, die op onze eigene persoonlijkheid eenen belang-
rijken invloed kunnen uitoefenen, doch waarvan ons dikwerf',
bij later en rijper overleg, het onbekookte en onbruikbare
in 't oog springt. Zoo is ook reeds (bl. 9) gewezen op de
noodzakelijkheid, om op onbevangene wijze de planten als
planten te bestuderen en er niet eene soort van miniatuur-
dieren in te willen zien. „De mensch tracht," zoo als een
geestig schrijver {*) zich uitdrukt, „gaarne in de hem omrin-
gende natuur het spiegelbeeld van hem zeiven, van zijne
liartstogten, van hetgeen hij wenscht en vreest te ontdekken
(•J tl. Wacneb, Malfrische Botanik, Leipzig 1861, II. lil. 1K6.