Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
97
welke soms in 't midden van een sleuije zijn voorzien ; het
zijn uitpuilende voortzetsels van de in kurkvorming verkee-
rende schors. Voorts ontwikkelt zich knrkweefsel in den regel
op de oppervlakte van plantendeelen, welke door de eene of
andere oorzaak beschadigd of gekwetst zijn. Men vindt het
ook op in den grond groeijende plantendeelen, zoo als wor-
tels, knollen (b. v. van aardappelen), enz. Het verdient ein-
delijk de aandacht, dat daar, waar de epidermis eenmaal
verdwenen is, deze nimmer weder op nieuw gevormd wordt;
met kurklagen daarentegen is dit wel het geval. Van de
gewone kurk heeft men nog de lederkurk onderschei-
den, waarvan de laatste zich ais een gladde laag voordoet,
rekbaar is en sterker verdikte, veel naauwer vereenigde en
langer levende cellen bezit dan de eerste, die minder rek-
!)aar is en spoedig scheuren vertoont.
Wij zijn hiermede nagenoeg aan het einde der weefsel-
leer (*) genaderd en weêrhouden daarbij de opmerking niet,
dat u de lezing van dit gedeelte vermoedelijk wel eenige
inspanning zal gekost hebben.
Enkele weefsels zijn daarom met meerdere uitvoerigheid
behandeld, omdat öf hun gewigt voor den bouw en het leven
der plantendeelen zoo veel meer beteekenend te achten is
dan andere, óf wel omdat de bestudering daarvan bij zelf-
standige oefening de minste moeijelijkheden oplevert (dit
laatste geldt met name van het opperhuidsweefsel en zijne
aanhangsels). Mogt het u echter na eene eerste inzage niet
gelukt zijn, alles even goed te begrijpen, zoo zij het u ten
zeerste aanbevolen, eene herhaalde lezing te wagen. Im-
mers zonder een helder inzigt in het nu besprokene is het
bijna onmogelijk, het in de verdere hoofdstukken volgende
duidelijk te verstaan, terwijl omgekeerd, wanneer u het tot
(•) Het is beter dit woord te bezigen voor lietgeen men ook ontleedkunde
der planten pleegt te noemen (z. b. bl. 17), omdat toch daarin meer op den
voorgrond treedt de beschrijving van het ontstaan, den bouw en verdere eigenschap-
pen der cellen en weefsels, dan wel dc wijze, waarop men de plantendeelen snijdt
of ontleedt.