Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
95
wondjes getroffen wordt, gewoonlijk nit eene cel, die zich
met haar onderste, eenigzins bolvormig uiteinde in het
midden eener groep uitpuilende opperhuidscellen bevindt,
waarin vermoedelijk de prikkelende vloeistof bereid wordt,
waarmede de eerstgenoemde cel gevuld is. Zoo onderscheidt
men voorts nog blaasjes, tepeltjes, wratjes, enz.,
zijnde verhevene opperhuids-


112.
a.
b.
c.
d.
celletjes, waarvan de eersten
met vocht zijn gevuld (*), de
anderen vaster en min of meer
vleezjg ontwikkeld zijn. De als
kleine, ronde, meestal witte,
doch ook gekleurde schilfers
voorkomende opperhuidscellen
worden schubjes genoemd. liet zijn óf stervormig uitge-
groeide haren, óf wel door eene cel, die tot steeltje strekt,
gedragene schijijes, ontstaan
door aanhoudende vorming
van jonge cellen in straal-
vormige rigting. Wanneer ha-
ren dikwandig, verhout, stijf
en stekend zijn, heeten zij
borstels. War eindelijk de
stekels betreft, zoo worden
door de plantkundigen met
dien naam harde scherppun-
tige verhevenheden der opper-
(•) Men vindt daarvan een fiaai vooibeeld bü het zoogenaamde ysplantje (Afesëm-
brpdnlhemum crpstaUinum). Over zijne geheele oppervlakte met zulke blaasjes bezet
z\jnde, verkiijgt dit gewas, vooral wanneer er het licht op invalt, het voorkomen,
als ware het iret een ijskorst omkleed.
112. a. Onvertakt haar eener kool (Brassica). b. Gevorkt haar van de vrocgeling
(Drdba). c. Een gesteeld en ongesteeld stervormig haar van schildzaad {Alyssum)*
d. Een geleed haar eener Trddescdntia.
113. a. Straalvormige haarbundel (sterschubje) van eenen oleaster (Elaedgnus),
6 Knopvormig haar van salio (Sdlvia). c. Een brandbaar eener brandnetel (Urtica
dióica). De brandbaren de/.er plant zün van onderen week en buigzaam, doch
van boven zeer strak en broos cn aldaar van een klein omgebogen puntig knopje
voorzien, hetgeen bü aanraking afbreekt en in de huid Indringt, waarby zich dan
de prikkelende vloeistof, in het haar bevat, tevens in het ontstane huidwondje
uitstort, hetgeen het bekende gevoel van jeukte te weeg brengt. De hierdoor
veroorzaakte aandoening beduidt nagenoeg niets tegenover de vreesseiyke uitwer-
king van sommige Oost-Indische netclsoorten, met name van de ifrtica urentUsimo