Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
vomii öLiüc
onderscheiding gewoonlijk eene mikroskopische beschoinving
gevorderd wordt. Zij bestaan of nit eene enkele of uit meer-
dere cellen, vertoonen veel verschil in vorm en hardheid en
bezitten ook niet altijd eenen gelijksoortigen inhoud. Naar
gelang van die verscheidenheden, verkrijgen deze aanhangsels
dan ook bijzondere benamingen.
Uie, welke men haren noemt, zijn niet
altijd verlengsels van de eigenlijke op-
perhuids- of epidermis-cellen, maar komen
ook als verlengde cellen
van het epithelium, of
wel (zoo als de wortelha-
ren) van het epiblema
voor. Naar gelang hun-
ner meerdere of mindere
109-llL Haren. zamengesteldheid, ver-
takkingswijze, enz. worden dikwijls de haren met onder-
scheidene benamingen omschreven (zoo als geleed, stervor-
mig, gevorkt, enz.) en bovendien zijn er ook nog vele
woorden in gebruik (zoo als: zachtharig, ruig, vlokkig,
wollig, viltig, enz.), om verschillende wijzigingen in de
soort van beharing aan te duiden.
De zoogenaamde geknopte haren
worden dan meer in "t bijzonder
kl ierharen genoemd, wanneer
zich daarin kleverige,hars of vlugge
oliën, onz. bevattende stoffen be-
vinden. Onder klieren worden
over algemeen verstaan kleinere of grootere celgroepjes,
die dergelijke vochten bevatten en zich of boven de overige
opperhuidscellen verheffen, b, v. in den vorm van kleine
schubjes, of wel hier en daar tusschen het opperhuidweefsel
verspreid liggen. Zoo bestaan ook de zoogenaamde brand-
baren, waardoor onze huid, bij aanraking, als door brand-
109. Knodsvorraige en spitse verlengsels (haren) der epidermis-cellen van den
stengel der St. Theunis-bloem {Oenoihéra hiénnis).
110. Knopvormige haren de,r oppeihuid van het blad van stinkend nieskruid
léborus foétidvs). Een der haren bevat de leelyk riekende vloeistof niet meer en is
daardoor ingezakt.
111. Zoogenaamde borstelharen van de kelk eener raalowe {Mdlva),