Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
wordt dit bij de koking met potaseli-oplossing reeds groo-
tendeels vernietigd. — Wanneer men bij verdikte opperhuids-
cellen deze koking niet vooraf Iaat gaan en de jodiumop-
lossing en het zwavelzuur door den wand kunnen heendrin-
gen, dan wordt alleen het binnenste verdikkingslaagje blaauw
gekleurd.
Zoo lang de verdikking of verkurking der opperhuids-
cellen niet aanmerkelijk gevorderd is, bestaat haar in-
houd uit een doorschijnend en ongekleurd vocht; in verdere
tijdperken zet er zich ook veel kiezelaarde in af (z. b. bl. 34).
In de sluitcollen (zoo noemt men de tot de spleetopenin-
gen behoorende cellen) komt daarentegen zeer dikwijls eene
gekleurde vloeistof voor, en wel met name door bladgroen
(z. b. bl. 45). Doordien zij nimmer kurkstof opnemen en
meestal geene verdikkingslagen bezitten, worden zij gewoon-
lijk door jodium-oplossing en zwavelzuur terstond blaauw
gekleurd. Gewoonlijk liggen de sluitcellen lager dan de ove-
rige opperhuidscellen, zeldzamer op
dezelfde hoogte en nog zeldzamer
staan zij hooger. De spleetopeningen
komen nagenoeg niet anders dan op
groengekleurde plantendeelen voor,
met name dus op kruidachtige sten-
gels en op de bladeren, en men vindt ze aldaar of op vrij re-
gelmatige afstanden van elkander verwijderd, of wel hier en
daar tot groepjes vereenigd. Zij komen vooral in grooten
getale op de ondervlakte der bladeren voor, op de boven-
vlakte in veel mindere hoeveelheid (bij bladen, welke op het
water drijven, komen ze daarentegen alleen op de bovenvlakte
voor, daar de ondervlakte hier van epiblema is voorzien,
waarin geene spleetopeningen bestaan). Hoe saprijker en
vleeziger de plantendeelen zijn, des te minder in getal, maar
ook des te grooter in omvang zijn hunne spleetopeningen.
De opperhuid is vaak van aanhangsels en verleng-
sels voorzien, welke in de meeste gevallen reeds door het
bloote oog waarneembaar zijn, doch tot wier naauwkeuriger
108, Loodregte doorsnede door de opperliuid van het blad eener anjelier-soort
(Didnthus). Geheel van boven de cntieula; daaronder de zeer sterk verdikte opper-
huidscellen: de beide sluitcellen deelen niet in de verdikking.
jQ^'iSUi