Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
plantendeelen, die in de aarde of on-
der het water groeijen, derhalve o. a.
op de in den bodem bevestigde wor-
tels, wier zoogenaamde wortelharen
104. EpMema. langwerpig uitgegroeide cellen van dit
weefsel zijn.
De derde soort eindelijk — epidermis of eigenlijke op-
perhuid geheeten — bestaat uit eene laag (zelden uit meer
lagen) cellen, die meestal
zeer plat (tafelvormig)zijn.
De gedaante dier cellen is
vrij afwisselend, soms re-
gelmatig,maar dikwijls ook
onregelmatig, geslingerd,
enz. Zij zijn gewoonlijk
digt aaneengesloten, doch
op bepaalde plaatsen blij-
ven er ruimten tusschen
open, als of aldaar eene löb. Epidermis, met vri] recelmugfi cellen,
opperhuidscel ontbrak. Grootendeels wordt echter die ruimte
weder aangevuld door twee halvemaanvormige (somtijds door
meer) cellen, door verdeeling van ééne cel ontstaan en waar-
tusschen, doordien zij met de holle zijde naar elkander toe-
gekeerd zijn, eene spleet openblijft; deze twee cellen met
de daarbij behoorende spleet noemt men spleetopening
of huidmondje. Elke spleetopening staat in verband met
eene opene ruimte in het daaronder liggende weefsel, door
welke inrigting aan dampen en gassen de gelegenheid wordt
gegeven, om van buiten uit de lucht in de levende planten-
deelen in te dringen of wel uit de laatsten naar buiten te
ontwijken. De wanden der opperhuidscellen kunnen zeer
spoedig verdikken, doch alleen aan de buitenzijde en eenig-
104. Overlangs doorgesneden epiblema van Let worteltje van e?n tot het een-
denkroos behoorend plantje {Lémna of Spirodéla póïyrrMza)^ met eene laag paren-
chyraeellen daaronder.
105. Opperhuidscellen van het blad eener roode kool {Brdssica ólerdcea)^ waar-
tusschen 3 spleetopeningen. — Door een klein scheurtje met een puntig mesje in een
blad of op een jong kruidachtig stengeltje te maken cn dan met het mes en den
nagel van den duim het losgepelde kleurloozc buitenste vlies voorzigtig af te
■scheuren, verkrtigt men zulke strookjes der opperhuid.