Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
gen verdienen, omdat voor de vorming van ieder der op-
eenvolgende kringen of minder of meer dan een jaar noodig
is. Er zijn intusschen andere stammen van tweezaadlobbigen,
AV^aarin de bastvorming zeer gering is, of wel waar dat, wat
wij later als schors zullen leeren kennen, op zeer onder-
scheidene wijzen cn vrij sterk ontwikkeld kan zijn, zoodat
hetgeen de leek alsdan „bast" zou noemen, door de plant-
kundigen als schors-vorming wordt herkend. (*)
VIII. Opper huidweefsel. Gij zult reeds door dezen naam
vermoeden, dat gij het aan de oppervlakte der planten zoe-
ken moet, en, behalve bij zwammen, korstmossen en wieren,
zult gij het dan ook als de meest uitwendige cellenlaag van
nagenoeg alle overige gewassen — althans in jeugdigen
toestand — aantreffen (bij de blad- en levermossen alleen
op de stengels en vruchten). Men kan 3 soorten daarvan on-
derscheiden.
De eerste — epithëlium geheeten — bestaat uit zeer
dunwandige, naauw aaneensluitende cel-
len, met een ongekleurd, doorschijnend
vocht gevuld, die somtijds later eene
tepelvormige gedaante aannemen (b. v.
1Ö3. EpitfceliülD. ^p de als fluweel glanzende bloembladen)
of wel zich tot haartjes verlengen. Alle zeer jeugdige plan-
tendeelen zijn er mede bekleed; gewoonlijk echter verandert
zij verder in eene der beide volgende soorten, terwijl zij
daar, waav zij als zoodanig blijft voortbestaan, meestal tot
omhulling van oppervlakten of gangen strekt, alwaar bij-
zondere vloeistoffen, harsen, enz. worden afgescheiden.
De tweede soort — epibléma genaamd — bestaat ook
uit naauw aaneensluitende cellen, wier wanden echter eenig-
zins hard en van buiten plat zijn. Zij verandert óf in de
volgende soort, óf wel blijft zij, na hare vorming, als zoo-
danig voortbestaan, zoo als namelijk het geval is op die
(*) Alleen omdat de bast door het buitenste gedeelte der vaatbundels wordt ge-
vormd, waarvan het binnenste in hout verandert, hebben wij dien hier, om dit
duidelijk te maken, korteUjk besproken; niet als ware h\i eene nieuwe, van dc
vorigen verschillende weefselsoort, daar toch de bast tot het op bl. 76 beschrevene
vczelweefsel behoort.
103. Overlangs doorgesneden epithelium uit het eitje van Tradescdntia Crds-
mot eene laag parench)-mcellen daaronder. Iedere cel bezit nog hi're kern.