Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
117
de houtvezels juist het omgekeerde het geval is. Intusschen
bezitten zij ook, even als de laatsten, stippels met stippel-
hglten en somwijlen ook spirale teekeningen in den wand.
De cirkelronde kringen, op het dwars doorgesnedene hout
van nagenoeg alle in onze luchtstreek groeijende boomen
zigtbaar, ontstaan door de jaarlijksche afzetting van nieuwe
houtkokers rondom de oudere; men noemt ze daarom jaar-
ringen. Bij overlangsche doorsnijding van hout doen zich
de jaarringen als lijnregte of golvende strepen of strooken
voor. Het binnenste of oudste hout in de stammen heet het
hart of de kern, en het buitenste of jongst gevormde:
splint.
VIP. Bast. Veel beperkter dan in het gewone spraak-
gebruik is het begrip van „bast" in de plantkunde. Over 't
algemeen toch pleegt men aan iedere eenigzins dikke om-
korsting of aan allerlei omhulsels van stammen, zelfs van
vruchten, enz. dien naam toe te kennen; voor ons echter
moet die benaming alleen gelden voor de vereenigde lagen
van bastcellen, zoo als zij aan de buitenzijde van den ver-
dikkingsring in de stammen van tweezaadlobbigen worden
afgezet, llondom dien bast bevinden zich buitenwaarts de
schors en eindelijk de opperhuid. Bij de eenzaadlobbigen
met geslotene vaatbundels bestaat eene veel geringere of in
't geheel geene bastvorming. Bij de kruidachtige stengels van
tweezaadlobbigen zijn de bastcellen, even als in de laatstge-
noemden, nog naauw verbonden met de overige deelen der
niet zamenhangende vaatbundels en dus niet, zoo als in de
stammen met duidelyke houtvorming, te zamen tot volko-
mene kokers of lagen vereenigd. Intusschen kan men daarin
dikwijls toch reeds een kring van naast elkander liggende
bastcellen onderscheiden, waaronder in verschillende gewas-
sen niet zelden ook, die melksap bevatten. In enkele stam-
men heeft jaarlijks eene zeer sterke bast-ontwikkeling aan
de buitenzijde van den verdikkingsring plaats, zoodat de
jongste bastlagen zich alsdan aan de binnenzijde der oudere
afzetten, derhalve in omgekeerde rigting van de houtlagen,
waarvan de jongste altijd het meest buitenwaarts zijn gele-
gen. Nu on dan zijn in zulke dikke basten dan ook kringen
zigtbaar, die echter daarom niet wel den naam van jaarrin-