Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
blad- en levermossen zijn zij alleen uit cambiumcellen za-
mengesteld.) Aanvankelijk bestaat elke vaatbundel uit teelt-
weefsel, waaruit zich in eene bepaalde volgorde de verschil-
lende celsoorten der vaatbundels ontwikkelen (zoo ontstaan
de spiraal- en ringvaten steeds het eerst); er blijft echter altijd
nog een gedeelte van het teellweefsel bestaan. Zoowel in de
plaats, waar zich nu dit overblijvende teeltweefsel in den ont-
wikkelden vaatbundel bevindt, als in andere opzigten, be-
staat er verschil in de drie groote groepen, waarin men
de planten heeft ingedeeld, bekend onder den naam van
„niet-", „een-" en „tweezaadlobbigen." (*) In alle planten
intusschen staan de vaatbundels te zamen in verband, hetzij
doordien zij digt opeengedrongen zijn, hetzij door dat zij, met
openlating van kleinere of grootere tusschenruimten, te zamen
eene soort van netwerk vormen, (Een der middelen, om zich
hiervan te overtuigen, bestaat b. v. daarin, dat men een
plantendeel eenigen tijd in water verrotten laat, waarbij
ten slotte alles verdwijnt, behalve het sierlijke net, door
de vaatbundels gevormd. Do<tr dit nu voorzigtig te laten
droogen, kan men zich zoo b. v. eene niet onbelangrijke
verzameling verschaffen van de geraamten van allerlei
bladeren, enz.)
a.) Tot de niet-zaadlobbigen
behooren o. a. de zoogenaamde
celplanten (z. b. bl. 80 in de
noot); in deze komen, zoo als
gezegd is, geene vaatbundels
voor; in eenige blad- en le-
vermossen zijn zij alleen, zoo
als mede bereids is opgegeven,
9&. Vaatbundel eener Diat-zaadlobljisfl plant, "it teeltweefselcellen zamenge-
dwars doorgesneden. «tekl. In alle overige niet-zaad-
(♦) Do Latijnschc of eigcitlyk Grieksche benamingen dezer groepen z^jn: Acotyle-
dóneSt Mónocotyledónes en Dicotyledónes. Kortheidshalve spreekt men ook van Aco-
tyleuy Mónocotylen en Dicoiylen. In het volgende Hoofdstuk VI zal men de verkhu
ring dezer woorden vinden.
95. Uit eene varensoort, Pólypódium ramösum genaamd De middelste groote ope-
ningen stellen de dwars doorgesnedene vaten voor; de daaromheen liggende kleinere
celletjes zijn teeltweefselcellen, en de hier rondom gelegene grootere cellen zijn ver-
houte parenchymcellen.
f)