Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
Äillroi
Sf • w
iiyitiHfi

ren
nen
sehen beide houtvezels eene holle lensvormige ruimte ont-
staat, bekend onder den naam van „stippelholte." Beziet
men de cellen van boven af, dan
wordt door deze inbuiging een krin-
getje — het zoogenaamde „hoQe" —
rondom den kleineren stippel ge-
vormd, welke alsdan „hofstippel"
genoemd wordt. Het grootst en in
vrij regelmatige orde, meestal slechts
aan twee tegenovergestelde zijden
boven elkander geplaatst, ziet men
38. Hofstippelvezels. ze in het hout van de conife-
(waartoe al onze zoogenaamde „naaldboomen": den-
sparren, pijnboomen, enz. behooren), cycadeën, enz.
Somwijlen ziet men binnen de beide buitenste krin-
getjes (hofstippel en hofje) nog een kleiner derde;
dit laatste is alsdan de doorschemerende binnenste
eindopening van het stippelkanaal. •—Omtrentkleurs-
verandering door jodium-oplossing en zwavelzuur,
omtrent inhoud en het daarin niet ontstaan van jonge
cellen, geldt van de houtvezels hetzelfde als het
dienaangaande van de vaten medegedeelde.
Terwijl de houtvezels altijd met houtstof doordron-
gen zijn, is dit met de bastvezels veel minder het
geval. Die, welke ih planten, tot de groep der een-
zaadlobbigen behoorende, voorkomen, zijn in den re-
gel min of meer verhout, zoo als men het noemt,
d. i. met houtstof doortrokken. De gewone bastve-
zels daarentegen, zoo als zij in den bast van onze
boomen, in geringe mate ook in het merg, alsmede
in de stelen en aders der bladeren voorkomen, zijn
niet verliout, en daardoor taaijer en buigzamer dan
83. Bastvezel.houtvezels, en mitsdien zoo geschikt tot het ver-
vaardigen daaruit van allerlei stoffen. Bovendien zijn zij zeer
doordringbaar voor vocht en gewoonlijk veel langer dan hout-
vezels, soms 4 tot 6 duim, (b. v. die van vlas, hennep, enz.)
en bezitten zij meestal zeer sterk verdikte wanden, zoodat er
88. Uit liet liout van den gewonen sparreboom (AbiiS excélsa).
SI). I^cne vrij lïorte bastcel uit do zoOKcnaamde itonings-Iïiiia {China régia).