Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
zoo velerlei gedaanten aan cellen eigen, zonder dat men dezen
daarom door bepaalde benamingen pleegt te onderscheiden. In
vroegeren tijd was men zelfs gewoon, de vezels als een van
cellen verschillerld elementair-orgaan op te vatten, zoodat
men toen als zoodanig een drietal plagt te vermelden, na-
melijk: cellen, vezels en vaten (z. b. bl. 72). Nu echter ver-
dienen, gelijk reeds meermalen gezegd is, alleen de cellen
dien naam, daar met „vezel" slechts eene cel van eene zekere
gedaante, en met „vat" een zamenstel uit meerdere cellen
bedoeld wordt. Ook de vezels ontstaan,
even als de vaatcellen, uit cambiumcellen.
Men spreekt gewoonlijk van twee soorten,
te weten van „houtvezels" en „bastvezels."
Hoewel het niet zelden gebeurt, dat men
geen duidelijk verschil tusschen beiderlei
soorten kan opmerken, is het daarentegen
in andere gevallen niet moeijelijk, in 't oog
loopende kenteekenen ter onderscheiding
waartencmen. Zoo wordt de naam van
houtvezels bepaaldelijk op die vezels toege-
past, welke tot de zamenstellende bestand-
deelen van het eigenlijke hout blijken te be-
hooren, en die van bastvezels, welke in dat
gedeelte der planten, hetwelk men bast
noemt, voorkomen.
In de wanden der houtvezels is altijd veel houtstof(z. b. bl. 37)
doorgedrongen, en van de mate daarvan, alsmede van den graad
der verdikking, welke altijd aan de wanden dezer cellen
eigen is, hangt grootendeels de stevigheid en de hardheid
van de verschillende houtsoorten af. De verdikkingslagen
vormen altijd stippelvormige teekeningen in den wand. Ter
plaatse waar de stippels of liever de stippelkanalen (zie
bl. 58) van twee nevens elkander gelegene houtvezels aan
elkander grenzen, is het plekje van den wand, waarin zich
zulk een stippel bevindt, binnenwaarts gebogen, zoodat nu tus-
schen beide stippels, en dus op verschillende plaatsen, tus-
81. VBzels.
87. In elke overlangsche doorsnede uit den bast of het hont van een tak onzer
boomen zal men o. a. soortgelijke, met de spitse uiteinden nevens elkander gedron-
gene cellen aantreffen.