Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
van spiraal-, en de streep- en trapvaten als zoodanig van
stippelvaten beschouwd worden. Spiraalvaten komen van
allen het eerst en het meest voor, voornamelijk in jeugdige,
nog levendig groeijende plantendeelen. Men kan in hetzelfde
vat dikwerf meer dan één spiraal onderscheiden, in dezelfde
of verschillende rigtingen gewonden ; dit getal kan zelfs klim-
men tot 20 en meer. Deze spiraalvormige verdikkingslagen
liggen soms vrij los tegen den oorspronkelijken celwand aan,
zoodat zij bij de minste uitrekking daarvan loslaten en zich
dan als zelfstandige spiraaldraden ontrollen. Men vindt
niet zelden in hetzelfde vat te gelijk spirale en ringvormige
of andere teekeningen. De ringvaten kan men o. a. vooral
in de stengels van grassoorten zeer fraai aantreffen. Terwijl
de spiraal-, ring- en netvaten gewoonlijk vrij smal zijn, zijn
de stippel-, streep- en trapvaten zeer wijd; stippelvaten ko-
men het meest voor in oudere, niet meer groeijende planten-
deelen. Trapvaten eindelijk (welke men vooral in de groep
der varens ontmoet) onderscheiden zich, behalve door
de regelmatige plaatsing der dwarsspleten in de ver-
dikkingslagen, daardoor, dat zij doorgaans eene kan-
tige, veelhoekige of prismatische gedaante bezitten,
terwijl aan nagenoeg alle overige vaten een min of
meer rolronde of wel platgedrukte vorm eigen is.
82. Trapval. Nagenoeg alle vaatwanden worden met lioutstof
doortrokken, welke men er dikwijls door koking met potasch,
enz. weder uit verwijderen kan. Eerst dan, wanneer dit goed
gelukt is, vertoont zich, na bevochtiging met zwavelzuur en
jodium-oplossing, de blaauwe kleursverandering.
Slechts in hunnen jongsten toestand (als vaatcellen) bevat-
ten de vaten vloeistof, doch later, zoo als gezegd is, niet
anders dan lucht. De vorming van nieuwe cellen heeft nim-
mer regtstreeks in vaten plaats. Mogt dit soms het geval
schijnen te zijn, dan is een plek der vaat wand doorgebroken
door daarnaast liggend parenchym, welks cellen zich nu in
de holte van het vat vermenigvuldigen.
Het meest komen de vaten voor in onderlinge vereeniging
en bovendien met de zoo aanstonds te behandelen vezels, enz.;
82. Uit den koniiigsvaren {Osminda rfndlis).