Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
plaatsen („teeltstreken" genaamd) in de planten voor. Voor het
bloote oog verschijnt het vaak als eene slijm- of geleiachtige massa,
en als zoodanig beschouwde men het ook vroeger. Na naauw-
keuriger mikroskopisch onderzoek is het intusschen gebleken,
dat dit een volkomen weefsel is, hetwelk zijn ontstaan verschul-
digd is aan jeugdig parenchym. Spoedig nadat dit gevormd is,
verandert het namelijk in teeltweefsel, hetgeen zamengesteld is
uit dunwandige, meestal langwerpige, zeer saprijke en veel
plasma bevattende cellen (zie fig. 95-100) en waaraan verder
O. a. de weldra te bespreken vaat-, hout- en bastcellen ha-
ren oorsprong ontleenen. In knoppen en ook in de meeste
stengels en stammen vindt men het o. a. als een ring of
koker, tiusschen het buitenste en het binnenste gedeelte gele-
gen. Het heet aldaar, om redenen, welke wij nader zullen
leeren kennen: v er d ikki ngs r i n g. Waar zich het teeltweef-
sel bevindt, bestaat er, wegens de dunheid zijner celwanden, eene
gunstige gelegenheid voor den doortogt van vochten in de plant.
Zoo als uit de blaauwe verkleuring door zwavelzuur en jodium-
oplossing blijkt, bestaan die celwanden uitonveranderde cellulose.
V. Vaten. Niet altijd hield men de
cel voor het eenige elementair-orgaan der
gewassen; daarnevens wierden namelijk
als zoodanig ook nog „vaten" en „vezels"
(zie hieronder bl. 75) genoemd. Wat nu
de vaten in 't bijzonder betrof, moest
deze meening verlaten worden, toen men
ze had leeren kennen als voortspruitende
uit tot een geheel vereenigde cellen, zoo-
dat men thans teregt een vat als een
weefsel beschouwt. Een vat immers ont-
W staat doordien bepaalde in dezelfde lijn-
16. Spiraalïat. regte rigting nevens elkander gelegene?!. 1
cellen van het teeltweefsel, welke daarom vaatcellen ge-
noemd worden, ter plaatse, waar de wanden dier cellen el-
kander aanraken, deze wanden geheel of gedeeltelijk verliezen,
76. Uit den stengel der meloenplant {Cäcumis iïéto). Aan de onderzijde is het
eene uiteinde van het vat voorgesteld.
77. Uit een luchtwortel van den drakenbloedsboom {Dracaéna Drdco), Dit vat be-
zit wijde uiteenliggende spiraalwindingen; het in flg. 76 afgebeelde daarentegen zeer
digt aaneensluitende.