Boekgegevens
Titel: De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: bij G. van der Linden, ca. 1820 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2497 F 34
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200015
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Liederen (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Vorige scan Volgende scanScanned page
Dé lustige Jager. 53
Deze gaat aldus gebeên,
Ging de zaken overleggen,
En liet zich alzoo het scheen,
Van dien goeden borst gezeggen,
En al na een diep gepeis,
Trok hij met zijn zoon op reis.
Hanje zag vast hier en daar,
Tóen zij over wegen gingen,
En al wat hij werd gewaar.
Achtte hij voor wonderdingen;
En zijn vader lijdt hem uit,
Wat of dit of dat beduidt.
Op 't laatste zag hij bij geval,
Een hoop Steedsche vrijsters spreken^ .
Die daar in het groene dal,
Geestig gingen zitten kweelen;
Makende een zoet geluid,
Bij het loover en het kruid.
Hansje zag hun schoon sieraad,
't Kwantje bleef er op staan fLerken,
Ja hij prees hun zoet gelaat,
Voelde zijn gewrichten werken;
Wou zoo 't ?che-n niet verder gHt^in,
Maar is^stille blijven staan.
Va'ler zti de jon^^'-v heM:
Hoe mag' 't zoete schepsel lii^^lcn ?
Ik en heb nog nooit in 't vdd, .
Zulke vogels kunnen schi-^ten;
Ja gelijk ik wel kan /-ien.
Zoo beiioort men 'c gun^ü U biêii.
Och zei valer: wat ge ziijt,
Sü zoo-in het veld hoort sclireea-.vun,.
Dat zijn -ganzeUj anders niet-.