Boekgegevens
Titel: De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: bij G. van der Linden, ca. 1820 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2497 F 34
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200015
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Liederen (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lustige jager, zingende vele vrolijke liederen, voor alle lieve meisjes, die met hem ter jagt willen gaan
Vorige scan Volgende scanScanned page
§ "De lustige Jager.
Ik meende dat ik was een man,
Maar ik ben nog geen knecht,
. Ik dien ze nogthans waar ik kan
Och, hoe was ik zoo slecht,
Dat ik mij zoo verblinden liet,
Al tot mijn ongeval.
Met eene vuile booze Griet,
Waarvan ik sterven zal
's Morgens als zij is opgestaan,
Dan gaat zij op de pot,
Ik moet deze consert, hoort aan.
Wegdragen tot mijn spot.
Wat dunkt u van deez' pot pastij,.
Die ik wegdragen moei?
'k w OU dat ze op de Mokerhei,
Gehangen was met spoed.
Nog moet ik thuis uit vegen gaan.
En daarbij 't kind zijn gat,
Ben ik des morgeus opgestaan,
at dunkt u van dit nat?
Dat heb ik voor mijn brandewijn,
Oen reuk van drek en strond,
Ik wenschte dat dit boos venijn,
Lag in het grat terstond.
Och vriend! als ik dat heb gedaan,-
Moet 'k naa-- de burgwal toe.
Om stronddoeken te spoelen gaan,
l'an zegt ze: ,Tan! wel hoe?
1'ast op dat gij er wel op let,
Haat niet ten huize uit,
Manr wilt straks maken gaan het bed,
üf gij krijgt op uw huid.
En dan doe ik nog niet genoeg.
Ik moet ook maken vuur;