Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
«5
DE BEWONER DER BEIERSCHE ALPEN.
Staat men op de „Theresienwiese" bij München aan den voet van het
kolossale Bavaria-beeld, verzadigd van alle heerlijkheden dezer koninklijke
kunststad, en wendt men den blik naar het zuiden, dan ziet men de noor-
delijke Alpen in hunne gansche uitgestrektheid van den Madeier Gabel in
het Allgausche tot den Watzmann bij Berchtesgaden. Dit gansche verschiet
is met eene blauwe tint overdekt, en achter een hoogen rotswand vertoont
zich een witte gletscher, die op heerlijke zomeravonden gloeiend rood
is gekleurd.
Het Beiersche bergland is wel geen Zwitserland, — de bergruggen zijn
daar hooger, grooter, geweldiger, de gletschers zijn daar menigvuldiger, de
meren grooter, de watervallen forscher, — maar de hoogste punten berei-
ken hier toch nog 8 a lo ooo voet, als de Zugspitz, de Watzmann, de
Mädele, de Karwendel. Men vindt er nog eene rechte Alpennatuur, en —
niet zooveel reizigers, groote en dure logementen, daarentegen meer lan-
delijkheid en eenvoud.
Wie in het Beiersche Alpenland wil reizen, moet zich met eenvoudig
logies vergenoegen. Hij zal het moeten aanzien misschien, dat aan eene
andere tafel in hetzelfde vertrek de bedienden van den herbergier uit één
grooten schotel gemeenschappelijk hun eenvoudig maal gebruiken, terwijl
naast hem aan den disch zich een flink gebouwde bergbewoner zet, forscher
en grooter dan Zwitserland of Tyrol er kan aanmjzen. Hij moet zich niet
gekrenkt gevoelen, als deze hem in zijn' eenvoud met „du" aanspreekt,
en in geen geval daarbij aan onbeschoftheid denken. Heeft de man eenige
„Hoalbi" bier gedronken, dan wordt hij levendig en begint zijne
„Schnadahüpfln" voor te dragen, kleine vierregelige liederen, die meestal
geïmproviseerd worden en betrekking hebben op de herberg, het jagers-
leven of de liefde. Dan komen er spoedig meer lieden bij, en de een zoekt
den ander de loef af te steken. Daarbij wordt in de handen geklapt, met
de voeten gestampt en gejodeld. Gewoonlijk wordt dan een citer voorden
dag gehaald, een instrument, dat tegenwoordig bijna uitsluitend nog inde
Alpen wordt gebruikt en door haast iederen bewoner dezer streken bespeeld
wordt. Al spoedig blijkt het, dat er ook een „Deandl" 8) te huis is, en
nu wordt „Landler" gedanst. Menigmaal volgt er dan ook twist, zooals
dat bij natuurkinderen, die zich door hunne driften laten beheerschen,
licht het geval is. De stalen ringen, die men aan de vingers draagt, om
den slag beter te doen voelen, (de „Slagringe") moeten hun' dienst doen,
') Hoalbi = halfje. ') Sc h n adah ü pf 1 n is eene samenstelling van sclinnttern
en hüpfen. ^)Deandl = Dirndel, meisje.
p. R. BOS, Globe. "i