Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
in de venen, die eertijds deel lütmaakten van het meer van Pfaffikon, ten
oosten van het Züricher meer, zelfs linnen- en hennepweefsel en verkoold
tarwebrood gevonden. Naast de palen kan men de overblijfselen van uitge-
holde boomstammen onderscheiden, die tot booten dienden, terwijl eene
rij palen de plaats aanduidt van eene brug, die den oever met het plat
der woningen verbond.
Men heeft nu reeds in de Zwitsersche meren meer dan twee honderd
groepen van paalwoningen ontdekt, waarvan sommige uit 500 hutten be-
staan. Waarschijnlijk waren de bewoners der paalwoningen onophoudelijk
in oorlog, en bouwden ze daarom, evenals de Papoea's van Nieuw-Guinea
en de Dajaks van Bórneo, hunne woningen in het water, om beschut te
zijn tegen onverhoedsche aanvallen. De eenige Zwitsersche meren, waarin
men nog geene overblijfselen van paalwoningen heeft kunnen ontdekken,
zijn die, welke ^overal zeer diep zijn, en die, welke in de hoogere en
dus koudere bergstreken worden gevonden, zooals in de meren van Thun
en Brienz. De meeste paalwoningen vindt men in de ondiepe Jura-meren,
n. 1. het meer van Neuchdtel, het Bieler en het Murtener meer.
Maar, hoeveel merkwaardigs de paalwoningen ook nog mogen aanbie-
den, we moeten tot iets anders overgaan.
De Zwitsersche meren zijn de regulateurs van de woeste bergstroomen.
De geweldige massa's water, die in den zomer en den herfst ten gevolge
van lang aanhoudende regens door de bergstroomen door het sterk hel-
lende terrein worden afgevoerd, de kleinste stroompjes snel tot stortvloeden
doen aanzwellen, die onder den naam van Runsen en Rüfe alles mede-
sleepen: menschen, vee, vruchtbare aarde en te velde staande vruchten,
die den bouwgrond onder massa's slijk en grint begraven, zijn eene der
plagen van de Zwitsersche bergstreken. En nog meer zou het water een
geesel voor die berglandschappen worden, wanneer niet de meren in hunne
wijde bekkens een groot deel van dat water opnamen en het bewaarden
voor den tijd, dat de rivieren slechts geringen toevoer ontvangen. Geen
wonder dus, dat de Zwitser, geleerd door de natuur, de hulp der meren
tegen de woeste bergstroomen heeft ingeroepen. Zoo heeft hij in de 13e
eeuw reeds de Lutschinen in 't meer van Brienz geleid, in de vorige eeuw
den Kander in 't meer van Thun, terwijl in den allerlaatsten tijd een
kanaal van de Aar naar het Bieler meer aan deze woeste rivier, die het
betrekkelijk laaggelegen Seeland vaak overstroomde, in het genoemde meer
een réservoir heeft geschonken, dat aan de plotselinge overstroomingen een
eind heeft gemaakt. Ook de stormachtige Linth is door een kanaal naar
het westelijke einde van het Wallen meer geleid.
De groote massa's verweerde stoffen, die de rivieren in den vorm van
slib en grint van de bergen medevoeren, bezinken voor een groot deel
in de meren, waar het water zooveel rustiger stroomt. De Zwitsersche
meren zijn dus ook de zuiveringsbekkens voor de rivieren. Maar wat zij
dezen aan vaste stoffen ontnemen, dat hoogt hunne eigen bedding na-
tuurlijk op. Bij vele meren is het dan ook duidelijk zichtbaar, dat ze