Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
meren, die zoo vele en belangrijke bouwstoffen hebben geleverd voor de
geologische en de geograpische wetenschap, zooveel genot hebben geschonken
en nog steeds blijven schenken aan de bewoners van andere, minder met
natuurschoon gezegende landen; merkwaardig door de groepeering der
hoofdstammen van West- en Zuid-Europa's bevolking; merkwaardig door
zijne geschiedenis, zijne staatsinstellingen, de eigenaardigheden en de ont-
wikkeling zijner bewoners.
Werd Zwitserland vroeger om zijne hooge bergen, zijne huiveringwek-
kende afgronden, zijne moeilijke wegen gevreesd en gemeden, thans gaan
honderden, ja duizenden jaar op jaar zijne bergtoppen beklimmen, zijne
gletschers, zijne watervallen en zijne meren bewonderen. De laatste zijn
niet de minste onder de schoonheden van het hooggeroemde land; 't zijn
spiegels, die, omkranst door bergen en vlakten, steden en dorpen, te mid-
den van de soms verhevene, soms liefelijke natuur, vóór alles het oog tot
zich trekken. Maar niet alleen om hunne schoonheid zijn ze merkwaardig,
ook voor geographie, geologie, archaeologie, handel en verkeer zijn ze
van 't hoogste belang.
Lang reeds was het den Zwitserschen visschers bekend, dat in de ondiepe
gedeelten van sommige meren rijen palen voorkomen, die de oudheid-
kundigen voor overblijfselen van Romeinsche dijken hielden. In het laatst
der vorige eeuw had Razoemovsky reeds den oorsprong van deze over-
blijfselen ontdekt, maar zijne onderzoekingen waren vergeten, toen eene
onverwachte ontdekking de archaeologen eensklaps op het rechte spoor
bracht. Gedurende den winter van 1853—54 was de waterstand in het
meer van Ztirich zoo laag, dat de oeverbewoners van de gelegenheid ge-
bruik maakten om door het opwerpen van dijken een deel van hetdroog-
geloopene meer tot hun blijvend eigendom te maken. Bij die gelegenheid
vond men onder eene laag slik stukken verkoold hout, door het vuur zwart
gebrande steenen, bewerkte beenderen en allerlei huisraad. Deze vondst
wees er duidelijk op, dat hier in overoude tijden een dorp had bestaan.
Ferdinand Keiler onderzocht en bestudeerde deze voorwerpen ter plaatse
waar ze waren gevonden, en weldra verscheen een werk over de paalwo-
ningen en hare bewoners, dat het resulaat zijner onderzoekingen bevatte.
Het is met behulp van de menigte gevonden overblijfselen niet moeilijk
zich de inrichting van de oude paalwoningen voor te stellen. De balken,
die men tusschen de palen ziet, zijn overblijfselen van het plat, dat eer-
tijds zich eenige voeten boven het water verhief; het door elkaar gevloch-
ten houtwerk en de overblijfselen van in 't vuur verhard leem behoorden
waarschijnlijk tot de buitenmuren, en de kegelvormige daken zijn ineen-
gevallen tot eenige lagen riet, stroo en schors. De haardsteenen zijn naar
beneden gevallen, loodrecht beneden de plaats die ze eertijds innamen.
De leemen vazen, de hoopen blaren en mos die tot rustbedden dienden,
de wapenen, de jachttropeeën, de groote hertegeweien en de bisonschedels,
die de wanden versierden, al deze voorwerpen, die nu in het slijk liggen,
zijn niets anders dan het oude ameublement der paalwoningen. Men heeft