Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
sterk, dat ik vreesde platgedrukt te zullen worden. Deze verschrikkelijke
drukking duurde echter maar kort en hield even plotseling op, als zij was
begonnen. Toen werd ik met de sneeuw bedekt, die achter mij aan kwam.
Mijne eerste beweging was te beproeven of ik mijn hoofd zou kunnen vrij
maken; —het was echter onmogelijk: de lawine was bevroren op het oogen-
blik waarop zij tot staan kwam, en ik was in de sneeuw vastgevroren. Ter-
wijl ik te vergeefs de armen zocht te bewegen, bemerkte ik, dat de handen
tot aan de gewrichten vrij schenen te zijn. Ze moesten dus boven de
sneeuw uitsteken. Ik begon den arbeid zoo goed als het ging, en het was
hoog tijd; want veel langer zou ik het niet hebben uitgehouden. Einde-
lijk zag ik een zwak licht. De korst boven mijn hoofd werd dunner en
liet een weinig lucht door, maar ik kon ze niet meer bereiken. Misschien
zou mijn adem haar kunnen doen smelten. Na verscheiden pogingen ge-
lukte het, en ik ademde een' stroom versehe lucht in. Ik zag den hemel
weder door eene kleine ronde opening. Rondom mij heerschte eene doode-
lijke stilte; ik was zoo verwonderd, dat ik nog leefde en zoo ervan over-
tuigd, dat geen mijner tochtgenooten nog ademde, dat ik niet eens riep.
Nu deed ik pogingen om de armen los te maken, doch het was mij on-
mogelijk; het eenige wat ik kon doen, was de toppen der vingers naar
elkander toe te brengen, maar zij konden de sneeuw niet meer bereiken.
Na eenige minuten hoorde ik een' man roepen. Welk een troost voor
mij, te weten, dat ik niet de eenige levende was, te weten dat hij wel-
licht niet in de sneeuw was vastgevroren en mij te hulp zou kunnen komen.
Ik antwoordde. De stem antwoordde, maar men scheen niet te weten
welken kant men moest uitgaan, ofschoon men dichtbij mij was. Een uit-
roep van verrassing! Rebot had mijne handen gezien. In een oogenblik
had hij mijn hoofd vrij gemaakt, en hij wilde mij juist geheel vrij maken,
toen ik zoo dicht bij mij een' voet bóven de sneeuw zag uit steken, dat
ik dien nog kon bereiken, ofschoon mijne armen nog niet geheel vrij
waren. Ik beproefde dadelijk dien te bewegen, het was de voet van mijn
armen vriend. Hij bewoog zich niet meer: de arme Boissonnet had zijne
bezinning verloren en was misschien reeds dood. Rebot deed wat hij kon;
na eenigen tijd wenschte hij, dat ik hem zou helpen en maakte mijne
armen zoo ver vrij, dat ik ze kon gebruiken. Ik kon weinig doen; want
Rebot had de bijl van mijn' schouder genomen, dadelijk toen hij mijn
hoofd had vrij gemaakt. (Ik heb gewoonlijk behalve den alpenstok nog een
bijl bij me; de steel heb ik aan den gordel en het blad aan den linker
schouder bevestigd.) Voor'' dat Rebot bij mij kwam, had hij Nance uit de
sneeuw geholpen; deze lag horizontaal en was niet zeer diep begraven ge-
weest. Nance vond Bévard, die rechtop in de sneeuw stond, maar tot aan
het hoofd begraven was. Na ongeveer twintig minuten kwamen de beide
laatste gidsen er ook aan. Ik werd eindelijk uit de sneeuw bevrijd, maar
moest daartoe tot de voelen toe uit de sneeuw worden los gehakt. Eenige
minuten na i uur in den middag bevrijdden wij het gelaat van mijn armen
vriend ...., ik wilde het geheele lichaam er uit bevrijd hebben, maar niets