Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
Gedurende het laatste half uur hadden wij iets hardere sneeuw, zoodat
we weer op meer voorspoed rekenden. In de meening, dat wij op den
rug beter vooruit zouden kunnen komen, klommen wij tegen de helling
op. Weldra werd deze te rotsachtig en wij moesten naar de sneeuw terug.
Deze was hier hard bevroren, zoodat we zonder verdere moeilijkheden tot
aan den voet van den top kwamen. Hij was steiler dan ik gemeend had,
toen ik hem van uit het Rhóne-dal zag. Bennen had plezier in den tocht;
nadat hij zijne blikken over het terrein had laten gaan, sloeg hij voor, den
oostelijken rug te volgen, omdat we daardoor minstens twee uren zouden
uitwinnen. Rebot, die den vorigen zomer over dien rug was gekomen,
was van dezelfde meening. Twee of drie van ons kwam dit plan echter
niet goed voor, en we begonnen te discussieeren over de mogelijke voor-
en nadeelen van den noordoostelijken en den oostelijken rug. We verloren
tijd; Bennen hakte daarom den knoop door en zeide: „ik ga voorop!"
Met deze woorden ging hij naar den oostelijken rug; deze was zeer smal
en, wat nog erger was, dikwijls door hooge rotsen doorsneden, terwijl de
tusschenruimten tusschen de punten met sneeuw waren aangevuld. Om op
dezen rug te komen, moesten wij langs een sneeuwveld van ongeveer 800
voet hoogte naar boven. Aan het boveneinde was het ongeveer 150, aan
het benedeneinde 400 a 500 voet breed. Het was eene groote kloof. Onder
het klimmen zonken wij bij iederen stap ongeveer een voet diep. Bennen
scheen het voorkomen der sneeuw niet bijzonder te bevallen. Hij woeg
de andere gidsen, die in deze streek speciaal bekend waren, of hier
soms ook lawinen voorkwamen, waarop hun antwoord luidde, dat wij vol-
komen gerust konden zijn. Wij waren den noordkant van de kloof gaan
bestijgen en moesten haar nu ongeveer 150 voet beneden den top in
horizontale richting snijden om op den oostelijken rug te komen. De hel-
ling van de kloof was bijna 35". Wij gingen in deze orde: Bévard, Nance,
Bennen, ik, Boissonnet en Rebot. Toen wij ongeveer van de breedte der
kloof hadden afgelegd, zonken de beide voorste mannen plotseling tot over
de heupen in de sneeuw. Bennen haalde het touw aan. De sneeuw was zoo
diep, dat zij niet uit de opening die zij met hun lichaam hadden ge-
maakt , zich konden opwerken; ze gingen nu een paar schreden vooruit en
doorsneden de sneeuw met hun lichaam. Bennen keerde zich om en gaf
de vrees te kennen, dat we eene lawine konden veroorzaken. Wij vroe-
gen, of 't niet beter zou zijn terug te keeren en op een hooger punt de
kloof over te steken. Daar waren de drie mannen uit Ardon tegen; zij
hielden de voorgeslagen maatregel van voorzichtigheid voor een uitvloeisel
van vrees, en de beide voorste mannen zetten hun' arbeid voort. Na drie
of vier schreden werd de sneeuw vaster. Bennen had zich niet bewogen, —
hij wist bepaald niet, wat hij doen zoude; zoodra hij de vastere sneeuw
zag, ging hij echter weer vooruit, maar evenwijdig met de diepte welke
de mannen uit Ardon in de sneeuw maakten. Merkwaardig genoeg kon de
sneeuw hem dragen. Ondertusschen rolde Bévard ongeveer 20 voet touw
om zijne schouders. Ik zei hem, dat hij het zou afwikkelen en naar den rug