Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
ze klinken eentonig en hol. — Naast die klagende geluiden hoort ge nu
een diepen grondtoon; de daartusschen gelegen tonen nemen toe in aantal,
de disharmonieën zwellen aan, en al wilder, al krachtiger en luider huilt
het geraas door de lucht. Nog eenige oogenblikken, en nu ontladen de
sneeuwwolken haren inhoud en zenden een' hagel van fijne ijspijlen met
zulk eene kracht naar beneden, dat uw gelaat en uwe handen u pijn doen.
Uitgeput keert ge uw gelaat af van den kant, vanwaar de aanval het hevigst
is; — maar het baat niet. De jagende zwermen van ijsnaalden slaan als
de branding om u heen, en evenals deze, tot schuim versplinterd, zich
tegen den orkaan in werpt, zoo beschrijven ook gene een' boog en wer-
velen rondom uwe schouders, om u van voren aan te vallen. Ge kunt
niets zien. Ge bedekt met arm en hand en zakdoek nu eens uwe oogen,
dan de wangen, dan het geheele gelaat, dat door de snerpende koude en
de brandende steken begint op te zwellen. Ge kunt niet ademen; want de
tot ijs gewordene lucht stroomt als een bijtend gift'uwe longen binnen en
boort zich bij iedere ademhaling als met duizend punten vast. Zij is er,
de vreeslijke sneeu\vjacht van 't gebergte, met liare ontzetting, hare ver-
schrikkelijke woestheid en grijpt alles aan wat in haar bereik komt. En te
midden van dit oproer staat de mensch, de heer der aarde, als een arm,
onmachtig, verlaten schepsel in eene huiveringwekkende sneeuwwbestijn, eene
zekere prooi van den dood, als de laatste krachten hem begeven.
Want houdt de storm ook een oogenblik op met woeden, kan de on-
gelukkige een enkel moment de oogen openen, hij ziet geen spoor meer
van den weg, dien hij moet volgen. Hij staat tot de knieën, dieper nog
misschien, in de sneeuw, en even hoog ligt die overal. Daarom worden
voor 't begin van den winter langs de drukbezochte passen reeds sedert
oudsher 20 a 30 voet hooge sneeuwstaken in de rotsen bevestigd, die tot
wegwijzers kunnen dienen, als de wegen ondergewaaid zijn. Maar in bij-
zonder sneeuwrijke winters worden zelfs deze enkele keeren geheel onder
de sneeuw begraven.
Vermoeidheid, slaperigheid, neerzinken van afmatting, langzamerhand
verdwijnen van alle bewustzijn, eindelijk verstijven van koude, —dat zijn
de opeenvolgende verschijnselen, die den naderenden dood aankondigen.
Elk jaar vordert zijne offers. De herinnering aan treurige voorvallen van
dezen aard leven voort in den mond van het volk, dat aan den voet van
zulke passen woont.