Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
ders zeker dagenlang zou hebben noodig gehad. Tusschen deze plagerijen
van den wind en eigenlijke stuiflawinen kan vaak geene bepaalde grens
worden getrokken, omdat de werking van deze bijna geheel met die van
gene overeenkomen.
Maar dat alles is nog geen sneeuwjacht; deze heeft een veel wilder,
vijandiger karakter. Wee den armen reiziger of voerman, die door eene
hevige „tormenta" — zooals de bewoners van het kanton Tessino de
sneeuwjacht noemen — wordt overvallen; dubbel wee hem, als hij niet
tegen alle weer gehard, als hij een vreemdeling uit mildere streken is,
die tegen den woedenden aanval der elementen geene vastberadenheid,
stalen moed, taaie volharding over kan stellen. Als hij door geen wonder
gered wordt, is hij een kind des doods. Reeds vielen duizenden der sneeuw-
jacht ten ofifer, als zij hare voorboden niet kenden of geen acht had-
den geslagen op welgemeende waarschuwingen. Want juist in de laagten
van de Alpenkammen, waar bergwegen en passen over leiden, woedt de
sneeuwjacht het hevigst. Berucht zijn in dit opzicht vooral de Groote St.
Bernhard in Wallis, de Gotthard in Uri, de Bernhardin en de Panixer
pas in Graubunderland. Op den laatsten werd een groot deel van het Rus-
sische leger onder Suvarov bij den terugtocht in October 1799 eene prooi
van de sneeuwjacht.
De Alpenbewoner kent de teekenen, die den boozen gast aankondigen.
De anders grauw-witte kleur van den horizon, waarbij de sneeuw der
bergen nauw merkbaar afsteekt, wordt meer gemarkeerd; verwijderde
bergruggen, wier naakte rotsen duidelijk te onderscheiden waren, worden
eerst licht, vervolgens steeds dichter omneveld, tot ze eindelijk geheel
verdwijnen. De lucht is rustig, zeer koud maar niet frisch en opwek-
kend; — droge, ijskoude, harde lucht omringt u. Rondom is het dood-
stil in de uitgestorvene eenzaamheid. Het eenige geluid dat gij verneemt
is uwe eigene diepe ademhaling en het kreunende kraken der sneeuw onder
uwe voeten.
De sneeuwjacht nadert. Dikke grijze wolken omhullen ook de naderbij-
zijnde bergtoppen, omhullen ze zoo dicht, alsof ze voor de eeuwigheid
hier wilden postvatten. Nog is het tijd de beschermende „cantoniera"
(refuge, Zufluchtshaus) of het gastvrije hospitium te bereiken, als het niet
al te ver is verwijderd; — maar het wordt donkerder, —de avond schijnt
den middag te hebben vergeten. Plotseling wordt ge verschrikt door een
hevigen, scherpen windvlaag, die u eene handvol sneeuw in 't gezicht
werpt. Dan is 't weer rustig, weer stil als te voren. Deze voorlooper her-
haalt zijne aanmaning nog eenige malen, gewoonlijk met al kortere tusschen-
poozen. 't Zijn de laatste aanmaningen tot de vlucht.
Nu hoort ge een zeldzaam, huiveringwekkend geluid in de rotsen ende
klooven, eerst zacht en zuchtend, waarop een klagend antwoord van de
andere zijde volgt; dan duidelijker, van naderbij, sterker, maar snel ver
en verder wegstervend in andere hoeken van 't gebergte. Deze door de
lucht strijkende klaagtonen komen uit een 'derden, een vierden hoek tot u,