Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
en de thijm; en de bodem levert er zelfs aan den vermoeiden wandelaar
de wel kleine, maar saprijke boschbessen. —
Waar de heibodem daalt, wordt hij doorgaans meer of min veenachtig
of moerassig; daar wordt ook de vegetatie anders; zij biedt veel meer ver-
scheidenheid dan op den hoogen heigrond De struikheide wordt ten deele
vervangen door de dopheide met hare veel grootere bloemen; de sierlijke
veenboschbes kruipt dicht over den vochtigen bodem voort, waarait op
verscheiden plaatsen de bleekgroene, van onderen steeds afstervende en
van boven aangroeiende veenmossen opschieten. Hier en daar zijn plekken
geheel en al bedekt met de sierlijke zonnedauw, die de door hare leven-
dige kleuren aangetrokken insekten op hare bladeren vastlijmt en verteert.
Niet alleen sekgrassen maar ook andere grassen, met name de windhalm
en het bentgras, vormen hier en daar aaneengeschakelde zoden; en de
helder witte, zijden haren van het wolgras schitteren in den zonneschijn,
door den wind op de teere halmen heen en weer bewogen.
Hier en daar verheffen zich de prachtige witte bloempjes van het Parnas-
kruid hunnen tengeren stengel, en daartusschen schuilen de zachtblauwe
bloemen der gentianen weg. Ook vindt men er niet alleen lage, kruid-
achtige plantjes, die — hoe fraai ook op zich zelve — aan de streek altijd
iets eentonigs moeten geven; — neen op sommige plaatsen ziet men ook
kleine boschjes, gevormd door berk of els, door kruipwilg en gagel of door
den altijd groenen hulst, terwijl in 't voorjaar de groote, gele vlinderbloemen
van de brem reeds in de verte duidelijk in 't oog vallen. Kortom het ge-
zicht , dat de lage veenheide oplevert, biedt zeer veel afwisseling; het steekt
allergunstigst af bij het voorkomen van de hooge zandheide. Is zij minder
troosteloos in haar voorkomen, in werkelijkheid is zij ook minder hopeloos.
De meerdere plantengroei geeft eene dikkere humuslaag en maakt den
bodem tot ontginning geschikt; en waar de veenmossen overvloedig groeien,
kan op den lagen heigrond de stof gevormd worden, die in de vreedzame
binnenkamer 's winters het vuurtje moet in den brand houden, en warmte
en gezelligheid aanbrengt. Stemt de hooge zandheide ons treurig, de lage
veenheide wekt de hoop op de toekomst en rechtvaardigt Vondels woord:
„Gelukkig is het land.
Waar 't kind zijn moer verbrandt".
Overigens moet men ook in dit geval alles met mate genieten. Een niet
al te groot stuk lage heide levert een fraai gezicht op; maar wanneer de
wandelaar op uren afstands niets anders dan eene onontgonnen veenheide
om zich heen ziet, dap ontrolt zich voor zijn oog een van de somberste
tooneelen, die de natuur kan aanbieden. —
Eigenlijke heiden, als de onze, vindt men slechts in de landen, die
dicht aan de Noord- en Oostzee grenzen. Wel komen bijv. in de zuide-
lijkste landen van Afrika streken voor, die eenige overeenkomst met onze
heidevelden vertoonen. Maar nergens bezitten de eigenlijke heideplanten
zoo de alleenheerschappij als in onze streken, nergens groeien ze in zoo
groote massa bijéén, door bijkans geene andere planten afgewisseld. Daarbij