Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
een rijksdaalder. Twee of drie hunner begeven zich nu naar den ambachts-
heer, den burgemeester, den dokter en naar de bewoners van nabij ge-
legen buitenplaatsen om „'n pries vraege". Van de rijksdaalders, die ze
samen gebracht hebben, koopen twee of drie hunner onder geleide van
den oppasser, te Middelburg, zilveren of gouden voorwerpen, even zooveel
keellinten voor meisjeshoeden en ... een pollepel. Hetzelfde doen de bal-
gooiers, jonge mannen, die niet te paard kunnen rijden of geen paard
hebben kunnen krijgen, — en de „rienkloopers", dat jongens van ongeveer
twaalfjarigen leeftijd zijn. In den vroegen morgen van den „derden Pienk-
ster" zijn de oppassers al bezig de drie verschillende banen af te bakenen
en met touwen van de plaats der toeschouwers af te sluiten. Bij de bal-
gooiers wordt een paal met een ijzeren beugel er boven op in den grond
gezet. Achter die paal is een soort van houten beschot gemaakt om den bal,
die juist door den beugel kan, tegen te houden. Bij dat houten beschot
staan twee palen en aan een touw, dat er aan vastgemaakt is, hangen de
l)rijzen en de pollepel te bengelen. De eerste prijs is een gouden meisjes-
ring, gegeven door den herbergier, die dien dag de verteringen der bal-
gooiers heeft. Hetzelfde vindt men ook bij de „rienkrieërs" en alles op
kleiner schaal bij de „rienkloopers". — Eene eigenaardigheid treft men nog
aan bij de ringrijders, bij wie we nu maar blijven zullen, omdat de gang
van het spel en de verschillende gebruiken bij het winnen van eenen prijs
bij de drie verschillende afdeelingen dezelfde zijn. Maar die eigenaardigheid
nu ? Wel, die steekt in de twee zilveren ringen, die door de rijders op de
punt van hunne lans moeten gestoken worden, terwijl het paard er in „vlie-
genden sproenk" onder door rijdt. — En weet ge waarom die ringen van
zilver zijn? Er zijn wel eens mannen geweest, die „mee d'n duvel om-
goenge en de zwarte kunst van 'm geleerd aode". Was er nu een ring-
rijder, die goed bevriend was met dien boozen man, dan maakte die
„duvel.skunstenaer" voor zijn vriend den ring zoo groot, dat hij wel blind
had moeten zijn om hem niet op zijne lans te vangen. En — geen mensch
kon dat zien, dan de rijder en de booze man. „Mer op zilver eit de duvel
geen vat" en daarom dus zilveren ringen. Iedere prijs moet gewonnen wor-
den met een bepaald aantal malen den ring gevangen te hebben. Hij, die
dat nog één keer doen moet, is „opsteek".
Hoor, hoor wat geschreeuw! Daar valt er een van het paard!
Blijft staan, vrienden, er is geen gevaar! Die man daar was „opsteek";
hij heeft den ring weer gevangen en onder het roepen van: „aoist, aoist!"
smijt hij de lans neer, laat zich in de armen zijner makkers vallen, op
eene ladder zetten en zoo door hen naar den bepaalden herbergier brengen,
gevolgd door eene groote menigte luiden, die even opgewonden zijn als
hij is. Daar wordt de blijdschap van allen afgespoeld, en de winner slaat
zich een lint over de schouders, ten bewijze dat hij den prijs heeft. Maar
nu mag hij aan de gekochte prijzen niet meer meedoen, en eerst als de
„gekregen" komen en aan de beurt zijn, kan hij zijne krachten alweer
beproeven en zijne kunsten toonen.
p. R. BOS, Globe. 2