Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
in mijn' knapentijd te Oostsouburg de „groote kooie" en de „kleine
kooie". — De „kleine kooie" bestond uit eenige jongelui, die des Zondags
middags zich op eene bepaalde plaats van het dorp verzamelden en dan
naar ,,den Grooten Abeele" gingen om in eene kleine herberg den tijd op
de eene of andere manier door te brengen. Hare leden waren jonge boe-
renzoons, zoons van ambachtslieden en arbeidersknapen. Maar „de groote
kooie", dat was een edel corps. In sterkte van ledental overtrof zij hare
zuster ver. Zij bestond uit de voornaamste jongelui van het dorp; zij ver-
zamelde zich des Zondags ook in de kom der gemeente, ging de „kleine
kooie" zonder groeten voorbij en had op „den Grooten Abeele" ook een
veel grooter herberg. Haar groot ledental is schijnbaar in tegenspraak met
hetgeen ik hierboven zei, dat „de groote kooie" een edel corps was. Toch
is het zoo; maar dat kon niet anders. Men bleef slechts korten tijd lid van
„de kleine kooie" en liet zich dan voorstellen als lid van de groote. Werd
men niet aangenomen, dat nog wel eens het geval was, als die „men"
door armoede of door slecht gedrag uitmuntte, dan zonderde die „men"
zich af en ging, tot blijdschap van den domine, des Zondags-middags de
prediking over een der Zondagen van den Heidelbergschen Catechismus
bijwonen. Ondertusschen werd er noch door de kleine, noch door de
groote „kooie" veel aan het spel gedaan. Voor het spel in allerlei vorm
had men drie dagen, en die waren de „derde kossemisse", — „derde
Paese" en „derde Pienkster". —
Op den „derden kossemisse" dan speelde al wat leven ontvangen had in
huis of in de herberg, en wel om weinig, om veel of om grof geld. Meest-
al echter om weinig. Het begon 's middags al en duurde dik\vijls voort
tot den volgenden morgen. Wat men op andere plaatsen door kinderen
ziet spelen, dat kon men hier door groote menschen, ja, door ouden van
dagen zien doen. Geen spel te gering, geen spel te kinderachtig. Men zag
het loterij-spel, het dambord, het uilenbord, den zevenzot, het ganzenbord,
het schimmel-, kien- en pachtspel. — Maar de speelkaarten zag men wei-
nig. Ik herinner me nog goed, dat ik een vuil spel speelkaarten met onooge-
lijke prentjes vond, ze huiverachtig bekeek en toen om mij heen zag ot
ik den „duivel" nergens gewaar werd. Over het algemeen speelt de „dui-
vel" op Walcheren nog eene voorname rol. Soms zelfs speelt hij eene edele
rol; want als het „grooze" meisje of de „proenkachtige joengen" wat
lang zich in den spiegel staat te bewonderen, klinkt het waarschuwende
woord van de moeder: „Pas op, strekjes krieg je'n slag van den duvel!" —
De „derde Paese" is weer aan een ander soort van spelen gewijd. Hier
staat een kind drie dobbelsteenen in een bak te werpen. Hij betaalt er een
cent voor en mag dan voor hij gooit zeggen: „onder de negen" of „boven
de twaalf". Raadt hij het, dan ziet men hem meteen blad hijlikmakernaar
huis draven en met eenen anderen cent terugkomen om nog eens een kans
te wagen. Wat verder wordt koek gehakt of koek geslagen. Dat koekhak-
ken en koekslaan is algemeen bekend. Toch heeft men hier nog eene ma-
nier van koekslaan, die ik elders nog niet aangetroffen heb. Men zet den