Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
de helling opklimt, maar tevens een gedeelte als bovenstroom terugvloeit.
Er ontstaat een vooruitgaande benedenstroom, die veel, en een terugvloeiende
bovenstroom, die weinig slib bevat. De laatste vermindert de snelheid van
den eersten en dientengevolge kan er reeds gedurende den vloed aanslibbing
plaats hebben, die niet alleen de platen en de kwelders verhoogt, maar
ook de gaten en geulen ondieper doet worden.
Loopt echter de vloedstroom langs de kust, dan ontstaat er geen stil-
stand in het water gedurende den klimmenden vloed, en er is dusookgeene
terugstrooming; het water langs de kust wordt dus niet zacht en langzaam
vernieuwd, maar het wordt door ander water met veel snelheid voortge-
dreven. Er kan dus in dit geval gedurende den vloed, geene aanslibbing
plaats hebben, er kan althans geen fijne slib bezinken. Nadert de vloed-
stroom de kust onder een' hoek, dan is de aanslibbing des te grooter,
naarmate die hoek meer den rechten nadert.
Wanneer twee vloedstroomen op elkander in loopen, ontstaat er stilstand
in het water, en 't gevolg daarvan is natuurlijk bezinking van de in
't water aanwezige slib. Dit schijnt op twee plaatsen op onze wadden
het geval te zijn, n.1. op het Groninger en op het Uithuizer wad. Op
het eerste ontmoeten elkaar de vloedstroom die door het Friesche gat is
binnengekomen en die welke de Lauwers en een tak daarvan, de Spruit,
binnendringt; op het tweede stroomt bij vloed het water van de Wester-
Eems in tegen dat wat door het Schild binnenvalt en door gaten en geulen
van uit de Lauwers naar het oosten vloeit. Vandaar dan ook, dat zoowel
op het Groninger als op het Uithuizer wad aanslibbing plaats heeft en de
kwelders aanwassen. Evenals we op de noordkust van Groningen van twee
middelpunten van aanslibbing kunnen spreken, die, tengevolge van eene
verplaatsing der geulen, verschuiven, merken we tusschen die twee middel-
punten een gedeelte op, waar de kwelder in omvang vermindert, waar
dus afslag plaats heeft. Voor korte jaren was het middelpunt van dien
afslag, dat zich oostwaarts verplaatst, achter Bafloo gelegen. Een tak van
de Lauwers neemt hier zijne richting op den dijk en de daar langs gaande
strooming schijnt den afslag te veroorzaken. Met de verplaatsing van dien
tak gaat natuurlijk gepaard eene verschuiving van de plaats van afslag.
Enkele jaren geleden had achter Warfum afslag van de kwelder plaats; bij
bezoeken, naar ik meen in 1874 en '75, merkte ik daar een geringen
aanwas op.
Behalve de getijden heeft ook de wind door zijne werking op het water
deel aan den aanwas en den afslag aan onze kust. Winden, die van de
kust af waaien, bevorderen de aanslibbing, terwijl winden die op de kust
in waaien, afslag veroorzaken. Bij winden die van de kust af waaien,
ontstaat eene dergelijke strooming in het water als bij den vloedstroom
die rechthoekig op de kust in vloeit. De wind toch werkt alleen op het
bovenwater en voert dit van de kust af; het daardoor verbroken evenwicht
doet slibhoudend benedenwater naar de kust toe stroomen. Bij vloed wordt
door den aflandigen wind het bovenwater tegengehouden; het slibrijke