Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
in de Wester-Eems is doorgescheurd, is deze wandeling, — die natuurlijk
wegens de mogelijkheid van opkomende mist niet zonder gevaar was: de
afstand van Polderzijl tot Rottumeroog bedraagt ongeveer 12000 meter,—
onmogelijk geworden.
Het ondiepe wad wordt door diepere stroomen doorsneden, balgen en
gaten, ook wel (vooral de kleinere) slenken en geulen geheeten. Tonnen
en bakens — de laatste in den vorm van bossen rijs of enkele takken, —
wijzen den schippers den weg aan, dien ze bij hoog water kunnen volgen.
Daar het grootste gedeelte bij iederen vloed, dus twee malen in iedere
24 uur, overstroomd wordt, kan er zich met uitzondering van op enkele
hoogere platen en op de dichter langs den dijk gelegen kwelders geen
plantengroei ontwikkelen. Op de kwelders groeien reeds zoovele planten,
dat ze voor de veeteelt worden gebruikt. Alleen bij hooge vloeden stroo-
men deze onder.
De bodem van de wadden bestaat grootendeels uit zeezand, dat vele
schelpen bevat, die hier en daar geheele banken, schelp- of schilbanken,
vormen. Schillerlui (schelpvisschers) vinden hier hun' oogst, dien ze aan de
eigenaars van kalkovens verkoopen. In het bed van de Wester-Eems vindt
men in kuilen grof zand met vuursteenen en keien, zooals ze in het
diluvium of ook in sommige rivierbeddingen worden aangetroffen. Op
plaatsen waar de stroom minder sterk is, zooals aan de zoomen van
sommige gaten en geulen, zet zich klei af. De klei van de Dollard-kwelders
is zwaarder dan die van de Wadden; vandaar misschien, dat van de eerste
meer gebruik wordt gemaakt dan van de laatste om er meer binnenwaarts
gelegen zandgronden mede te verbeteren. Op enkele plaatsen komt derrie
voor den dag, ofschoon ze meestal met eene laag zand of klei bedekt is.
De werking van wind en water heeft de lage veen- en kleilanden, die
zich achter de vroegere kustlijn uitstrekten, vernield en overstroomd, ze
hebben het land tot wadden gemaakt. Maar wind en water doen ook het
hunne om de aanslibbing te bevorderen.
De slib, door de rivieren aangevoerd, wordt bij vloed naar de kust
gedreven. De afzetting van de slib heeft hoofdzakelijk plaats, wanneer het
water weder daalt, dus bij eb, wanneer de snelheid van strooming meestal
minder groot is dan bij vloed. Hoe langer de kentering van het getij duurt,
d. w. z. de periode van overgang tusschen vloed en eb, gedurende welke
het water nagenoeg in rust is, des te gunstiger is de gelegenheid voor het
afzetten van slib.
Ook gedurende den vloed kan evenwel de aanslibbing aanzienlijk zijn.
Welke omstandigheden kunnen nu de snelheid van den waterstroom tegen-
houden of bevorderen en dus tevens de aanslibbing in de hand werken of
tegengaan ?
De vloedstroom, die eerst de gaten en geulen van het wad volgt,
moet, wanneer hij onder een rechten hoek tegen de hoogere platen en de
stijgende kust oploopt, zijne vaart verminderen. Die vermindering van
snelheid wordt veroorzaakt, doordien het voortgejaagde water wel tegen