Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
De duinen zijn rijk aan water, dat zich in de dalen, de zoogenoemde
duinpannen, verzamelt en daar soms een moerassigen bodem met weelde-
rigen plantengroei vormt, die het ontstaan geeft aan laagveen; gedeeltelijk
echter vloeit het als beekjes, die op de binnenhelling ontspringen, naar de
laagte. Van dien waterrijkdom heeft men gebruik gemaakt voor duinwater-
leidingen, die Amsterdam, 's-Gravenhage en Leiden van water voorzien.
De geestgronden aan den oostvoet der duinen en ook sommige binnen-
duinen zijn met bosch bezet of worden als wei- en bouwland gebruikt. Zij
behooren op vele plaatsen tot de schoonste streken van ons vaderland.
De eigenlijke zeeduinen zijn over 't geheel slechts spaarzaam begroeid, en
de planten zijn korter en schraler dan dezelfde soorten, die in andere,
vruchtbaarder streken groeien. Tot de karakteristieke planten voor de duinen
behooren de helmplant, de duindoorn, de duinroos, de struik- en de
dopheide, de bremstruik, de jeneverstruik, de gagel, de kruipwilg, de
thijm, het breedbladig standelkruid, de aardnoot en het rendiermos.
Evenals vele andere hooge streken van ons land was ook de duinstreek
reeds vroeg bewoond. In de namen 's-Gravenzande en 's-Gravenhage is ons
nog de herinnering overgebleven van de Hollandsche graven, die er hun'
zetel hadden, en de belangwekkende ruïne van Brederode in Kennemerland
roept lang vervlogen dagen en tooneelen voor den geest.
DE WADDEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN.
Binnen de voormalige kustlijn van de provincie Groningen, die we op
eenigen afstand ten N. van Schiermonnikoog, Rottumeroog en Borkum
moeten getrokken denken, bereikt de bodem nergens eene aanmerkelijke
diepte. Bij ebbe ziet men zich daar eene met geulen doorsneden slijkmassa
uitstrekken. Het zijn zandbanken of platen, die met het eiland Rottum
de overblijfselen vormen van het door overstroomingen vernielde en weg-
gevoerde land, hetwelk in vroegere eeuwen de tegenwoordige vaste kust
met Rottum en Schiermonnikoog verbond. Het zijn de wadden, d. i.
doorwaadbare plaatsen, onderscheiden in het Groninger- en het Uithuizer-
wad. De grens van de twee ligt op de hoogte van de lijn Rottumeroog—
Warfum. De westgrens van het Groninger wad is de geul, die het uit-
stroomende water van 't Reitdiep en de Lauwers hebben opengehouden;
de oostgrens van het Uithuizer wad is de JVester-Eems, die tusschen
Rottum en Borkum door stroomt.
Vóór 1825 kon men bij eb van Rottumeroog naar de vaste kust wan-
delen ; maar sedert in Februari van dat jaar het zoogenaamde Sparregat tot