Boekgegevens
Titel: De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Auteur: Bos, P.R.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 200 E 3 (atlas)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200007
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De globe: aardrijkskundig schetsboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
is het voor de vorming van duinen zeer voordeelig, dat de heerschende
winden van de zee naar 't land waaien, daar in het tegengestelde geval
het grootste deel van 't zand der banken naar zee zal worden gejaagd.
De duinhelling naar de windzijde zal flauwer zijn dan die Ttaaj; deV;
lijzijde, daar het over den top heen gewaaide zand direct aan de
werking der zwaartekracht gehoorzaamt en neervalt. De westelijke hel-
ling is dus bij de duinen van West-Europa, zooals bij de duinen in de
Landes (zuidwestelijk Frankrijk) en de duinenrij van Galais tot kaap Skagen,
waartoe de Nederlandsche duinen behooren, het flauwst: 5—12°, terwijl
de oostelijke helling zelfs t-ot 32° gaat. Hebben de duinen aan de windzijde
eene steile helling, dan is die meestal te verklaren door uitwassching door
't zeewater. In Noord-Afrika vertoonen de duinen van de Sahara de steilste
helling aan de zeezijde, wat ook zeer natuurlijk is, daar ze door de
werking van den noordoostpassaat zijn ontstaan.
Wanneer de wind zijn spel nog verder voortzet, kan hij achter de eerste
duinenrij eene tweede, eene derde enz. vormen. Men spreekt in dit geval
van buiten- en binnenduinen.
Het over den top gewaaide en bij de oostelijke helling neergegleden
zand onzer duinen vertoont lagen, wat niet behoeft te verwonderen, daar
nu eens een zacht koelde zeer fijn stuifzand heeft aangewaaid, dan weer
een harde wind grof zand met schelpenbrokjes kon aanvoeren of een storm
zelfs nog zwaardere voorwerpen mee voortsleurde. Natuurlijk zullen de
binnenduinen over 't geheel uit fijner zand bestaan dan de buitenduinen;
want hoe fijner de korrel is, des te gemakkelijker en des te verder zal zij
door den wind worden weggevoerd.
Onze duinen beslaan met de daarachter gelegen geestgronden eene
oppervlakte van 93580 hectaren of bijna 3 "/(, van de oppervlakte van
Nederland. Ze zijn zeer ongelijk hoog. Volgens Staring bereiken ze zelden
eene grootere hoogte dan 60 meter; tot de hoogste behooren volgens hem
„die, welke tegen het dorp Terschelling ligt, Kamperduin bij Petten,
eenige hooge punten bij Velzen en Bloemendaal, de Blinkert tegen Kraantje-
Lek bij Overveen, de heuvel tegen den Vijver der Waterleiding bij den
Vogelenzang, de duinen van 's-Gravenzande enz."
Langs de lijn waar de kracht van het uitstroomende rivierwater en de
strooming van het zeewater elkaar opheffen, bezinken de meeste door de
rivieren medegevoerde stoffen, dat zal dus bij eene kust waar geene zee-
strooming onmiddellijk langs gaat en bij tamelijk groote en sterk stroo-
mende rivieren op eenigeri afstand van de kust zijn. Op deze wijze vormde
zich eene langgerekte zandbank, die bij eb tot een' duinendam opstoof. De
Duitschers noemen zulk een' duinendam Nehrung. Achter de Nehrung bleef
een ondiepe inham (Haff) open, die met de zee in gemeenschap stond
door eene opening in den duinendam. Zulk een' vorm heeft ook Neder-
land eens gehad. Waarnemingen bij dergelijke Haffen hebben geleerd, dat
de gewone geschiedenis ervan de volgende is. De opening in de Nehrung
sluit zich; het Hafl" wordt een strandmeer, zooals wij ze in 't zuidwesten