Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JKHEMIAS 1)K IHXKER. 70
CHRISTUS GEKR U rST.
(Uit de Goede Vrijday.)
Het gcdiclit dc Goede Vrijdag is een verheven stuk, waarvan wij
echter wegens deszelfs uitvoeriglieid slechts den aanvang kunnen medo-
tleclen. De dicliter verbeeldt zich, dat hij op den Kruisberg tegen-
woordig is en de martelingen van onzen Verlosser aanschouwt. Hij
beschrijft deze martelingen in eene*taal, waaruit wij kunnen xien, dal
uk decker's Zanggodin zich ook tot eene verwonderlijke stoutheid van
denkbeelden en kracht van uitdrukking kon verheffen.
Ik lioor de spijkeren met ijsselijke slagen
Door liout en lianden jagen :
't Geklop gaat overhand Q)]
De wreedlieid treft bij beurt dan de een' dan de ander' hand;
Nu zal ze gaan aan 't hout de teêre voeten hechten
Daar smijt ze door den regten,
Daar door den slinker heen :
Ai mij (''*)! wat slaan is dat! dat knerst door vleesch en been.
Men regt het hout omlioog, ach! ach! dat dreunen, draaijen,
Dat waggelen en zwaaijen ,
Dan van en naar den grond,
Is elk hier weer op nieuw een slag in elke wond (*').
Ziedaar het kruis geregt ziedaar des Heeren leden
Van boven tot beneden
Zoo jammerlijk gerekt.
Dat, laas! het vel geen rib, geen zenuw houdt bedekt ("').
een' scherpen toon gesteld; voor het overige bewondere men den
mannelijken en deftigen stijl, waarin dit stuk, gelijk het geheele
Leerdicht is vervat, alsmede de fiksche versificatie, waarin de decker
boven velen uitmunt.
(*) Sterk, met geweld. Dichterlijk voor de wreede beulen. Slaat
zij. Ach mij! helaas! (®) Fraai uitgedrukt voor. door dat alles wor-
den de smarten van den Verlosser vermeerderd. Om dezen regel en dc
voorafgaande wel te verstaan, houde men in het oog, dat dc dichter
het gevoelen van dezulken heeft gevolgd, die beweren, dat dc krui-
seling aan het vlak op den bodem liggende kruis werd vastgenageld,
waarna hetzelve werd opgerigt: vanhier de zoo schilderachtige uit-
ilrukking : dot waggelen en zwaaijen , enz. (') Ken Bijbelsch denkljeeld;
laas is helaas.