Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
78 JHUEMIVS DE DKCKER.
Indien ik door de stad bij wijlen heb te treden.
De kleederhoovaardij verrukt mij , en met reden.
Tot lagchen, om baar dragt, zoo gekkelijk als wild.
Tot sehreijen , om mijn geld, zoo vruchteloos verspild-,
Ik zegge vruchteloos, ten aanzien dat mijn schijven
Vervliegen meerendeels niet aan 't verdek der lijven ('-),
Niet aan dat koude keert, niet aan dat schaamte schut
Maar aan een voddekraam, tot geen van beiden nut,
Aan ganschemeerschen(^'^)lints, aan kanten, koorden,strikken,
Aan vedren, wimpelen en diergelijke kwikken
Waarmee de wind slechts speelt en dartelt van ter zij :
Zulks dat men voor den prijs der poppenkramerij,
Der kinderbeuzelen of liever narrenbellen ,
Waarop zottin of zot van ijdlen hoogmoed zwellen,
(Want thans gaan mans (o schandel) ook aan dat euvel krank)
Wel eenen lakenlap bekomen zou zoo lank,
Dat hij genoeg zou zijn om zeven naakte lijven
Te dekken voor de kou, te hoeden voor verstijven (*').
ons eer voor- dan achteruit gegaan is, en dat de decker, ondanks de
vele gebreken, die ook nog onze tijden aankleven, dezelve echter niet
zoo ver beneden de zijne zou stellen. Hier in den zin van be-
weegt mij; de beide verschillende gemoedsbewegingen, lagchen en sehreijen,
door eene en dezelfde zaak verwekt, naar mate zij van twee onder-
scheidene zijden beschouwd wordt, zijn hier voorts zeer fraai naast
elkander geplaatst. Aan hetgeen, waardoor het Ugchaam op eene be-
tamelijke wijze gedekt tvordt. Onze dichter (hierop is wel te letten, ten
einde hem niet verkeerd te verstaan) vaart niet uit tegen eene gema-
tigde kleederpracht, maar tegen het te veel. En waarlijk! hij mogt in
zijn' tijd met regt spreken van kleederhoovaardij; de banden en linten,
de kanten en strikken, enz., die tot een' naar de mode gekleeden
Hollander van die dagen behoorden, waren niet weinig in getal. Be-
schut. Aan geheele marsen vol; men vatte dit, gelijk van zelf spreekt,
niet letterlijk op: de decker bedient zich namelijk hier van eene rede-
kunstige figuur, welke hijperbole of grootspraak genoemd wordt, door
middel van welke hij het te veel geestig aanduidt. Aardigheden, ver-
sierselen. Eigenlijk de kleine schelletjes van de zotskap, of zottenhoed,
waarmede in vorige tijden de hofnarren pronkten; hier staat het voor
gekke, dwaze kleeding stukken; krnderbeuzelingen is Idnderachtige beuzelarijen
of nietigheden. (*') Het laatste gedeelte van deze dichirrgelen is in