Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
CONSTAM'UN liUYÜENS. 73
TANDELOüZE NEEL.
Neely ruchliger klappei, dan we ooit in Holland hoorden
Is al liaar tanden kwijt. — Dat had ik wel gevreesd :
Haar tong heeft ze uitgeklopt-, elk millioen van woorden
Is eenen tand geweest
AAN A N I) R I E S.
Zijt ge een uitnemend man. Andviesl gelijk ik hoor
Veeltijds van u gewagen-,
Blijf wat van mijn comptoir ('):
'k Mag geen uitnemend volk omtrent mijn kas verdragen.
ZALIG WOEKEREN.
Daar is een woekering, daar God geval in heeft \
Gelukkig, die zijn geld aan Hem op rente geeft!
Zijt gij hekomjnerd, hoe 't ten Hemel in zal raken,
Geef het den armen maar, zij zullen 't overmaken
MATIGHEID.
En overhaast u niet in de een of de ander vreugd,
Zelfs in uw groenste jeugd!
De lust gaat in 't volop (*), en daar volgt ligt zijn dood naar;
Keert om de kaars, die brandt,'t vet, dat haar voedet, doodt haar(-).
(*) Neely eene meer beruchte babbelaarster, dan wij ooit eene in Holland
hoorden. C*) Heeft haar eenen tand gekost. Dc vinding in dit Puntdiclit
is oorspronkelijk en aardig.
(*) Kantoor. AVoordspeHng met uitnemend, in den zin van braafs
voortreffelijk, en in den zin van diefachtig; van dergelijke woordspelin-
gen zullen wij nog meer voorbeelden aantreffen.
(*) Waarin God een welgevallen heeft. (®) Eene krachtige opwekking tot
milddadigheid en zeer edel uitgedrukt!
(*) De lust gaat tot overvloed, d. i. de lust, niet met verstand be-
stuurd wordende, kan zich met weinig niet vergenoegen, maar wordt
steeds grooter. Dit Sneldiclit verkrijgt, inzonderheid door den laat-
sten regel, welke eene fraaijc vergelijking bevat, dat kernvolle en pun-
tige, hetwelk bij zulke korte gedichten als deze een hoofdvcreischte is.