Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
72 CONSTAMIJiX HUYGENS.
Jaren-passer , Rondom-oog ('*) ,
Dan 1 pen-trekker, Zomer-Lren ger,
Dag-verlenger, Vrucliten-Laat ,
Beesten-Lij ter, Vel-verzenger,
Blond-Lederver Joffer-haat
Wolken-drijver, Nacht-veijager,
Maan-verrasser C^), Sterren-dief ,
Schaduw-spl ij ter, Fakkel-drager,
Dief-Leklapper, Bril-gerief,
I^innen-Lleeker, Tniten-kroller
Al-Lekijker, Nimmer-Llind,
Stof-Leroerder, Hemel-roller
Morgen-wekker, Reizer-vrind
PUNTDICHTEN.
lIüYGENS staat onder al onze dichters, zoowel van vroegeren als late-
ren tijd, onovertroffen daar in zijne Pnnt- of Sneldichten. — Meer
dan diie duizend van dergelijke korte en snedige invallen vloeiden uit
zijn vernuftig hrein, in welke ons nu eens geestige woordspelingen,
dan eens vergelijkingen tusschen voorwerpen, die niets met elkander
gemeen schijnen te hebben, geestige opmerkingen, die van groote
menschen- en wereldkennis getuigen, en wat meer de uitvloeisels zijn
van een scherpzinnig en vlug verstand, ontmoeten. De hier aange-
haalde proeven, bij welke het ons moeijelijk is gevallen, uit den
grooten rijkdom eene gepaste keuze te doen, mogen hetgeen wij tot
lof van den dichter hebben gezegd, nader staven.
Bie (te jaren als met den passer afmeet. Die alles ziet. Die
de vruchten doet groeijen. Die blonde haren doet verkleuren. Die
de Juffers haat, t. w. wegens het bederven van het blanke vel. (') Die
de maan doet verbleeken. Die de sterren wegneemt, d. i. haren glans
uitdooft. (9) Die de haarvlechten doet hrtdlen. Die den hemel oprolt,
d. i. de donkere wolken verdrijft. Die een miend is voor de reizi-
gers. Sommige van deze eigenschapsnamen der zon zijn dichterlijk,
b. v. hemel-roller, schaduw-splijter, fakkeldrager; alle zijn vernuftig;
liet verwonderlijkst echter is, dat deze verzen, hoewel uit zeldzame
koppelwoorden zamengesteld, zich zeer goed laten lezen, cn zelfs, in
vergelijking van vele andere dichtregelen van iiuygens, zoetvloeijend
inoRcn hectcn.