Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
os CONSTANTIJN IIl:YGE^S.
Zij leeneri niet-, dat 'ssclia, zij handelen^ dat 's eerlijk.
Zij stelen niet^ dat 'sschand, zij woekeren-, dal 'sheerlijk.
Zij liegen niet dat 's zond': zij zeggen rond en klaar:
Daar moet gewonnen zijn, God geve op wie of waar C^).
De luije lién zijn blind : zij zien door taaije lichten ,
Die opgaan even als blaasbalken met gewigten,
Die 't orgel spreken doen Ilun kaars staat ongesnut
Hun zinnen wentelen in 't bed of in den dut
In 't bedde ginds en wéér als deuren op haar duimen :
Zij lagchen met het volk, dat hoed of helm met pluimen
Haanstaartelijk versiert : doó veéren liggen best,
En zijn der lenden over- over-lieve nest
Zoo denken ze in hun hart: 't is wonder, dat zij 't denken ,
En niet en vreezen zich al denkende te krenken-,
Want denken is een last van zinnen, en hun grouwt
\an alle bezigheid, die hart of huid verouwt
gierigaard moet op zijn minst tien ten lionderd winnen; is er kans
op zulk eene winst, dan ziet hij scherp toe. (') Deze vier regels zijn
allerpuntigst, en, gelijk het in een Hekeldicht behoort, vol bij-
tend zout. (®) Zijn de blaasbalken van een orgel neêrgetrcden, dan
gaan zij langzaam weèr in de hoogte; zoo langzaam gaan den luiaard
de taaije lichten, d. i. de oogen, open; de vergelijking is geestig, hoe-
wel wat ver gezochte Ongesnoten; zij zijn te lui om hunne kaars
te snuiten; d. i. zij mogen zich de moeite niet geven, om helder uit hunne
oogen te zien, Zij nemen zich wel iets voor, maar zijn te traag om
hunne voornemens ten uitvoer te brengen; de figuurlijke uitdrukking
van dit denkbeeld heeft de dichter aan de bekende spreuk van salomo
ontleend, Spr. XXVI: 14. De zin dezer regels is de volgende: de
hiijen lagchen diegenen uit, welke hoed en helm met pluimen, op de
wijze van een' hanestaart, versieren, en dan die pluimen heen en
weêr laten wapperen, terwijl zij bezig over straat gaan; de luiaards
bedienen zich liever van de pluimen, om er op te liggen; doode veéren,
t. w. dezulke, die zich niet bewegen, zijn hun bij uitstek welkom
en bereiden voor hun vadzig ligchaam eene alleraangenaamste rustplaats.
Het woord: over- overlieve, is zooveel als meer dan overlieve. (*-) Zij
hebben een' aßeer. Hoe scherp en bijtend zijn weder deze vier re-
gels! Inderdaad, wordt de luilieid door huygens met eene felle geesel-
roede getuchtigd; zij verdient het ook, als zijnde eene van de hatelijkste
ondeugden en die de moeder is van vele andere.