Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JOOST VAN DEN VONDEL. iïJ)
OP HET METALEN PROiNKBEELD, TE ROTTERDAM OPGERIGT
TER EERE VAN DEN GROOTEN ER^VSMUS.
Vondel is niet minJer groot in gedichtjes van een paar regels , dan
in die van längeren adem; meesterlijk weet hij zoowel Klinhdichten en
vooral Bijschriften, enz., als Treurspelen, Lierdichten en andere Ie behan-
delen. Gebrek aan ruimte gedoogt niet, van deze zijne bekwaam-
heid vele proeven bij le brengen. Men zij tevreden met twee Klink-
dichten en drie Bijschriften, die wij hier nog laten volgen.
Wat wijsheid Latium en Grieken hield besloten.
Begreep gansch 't Christenrijk (*}, zoo ras erasmüs kwam,
En schonk met zijnen naam aan 't nedrig Rotterdam
Een' naam, naardien hij was uit haren schoot gesproten.
De stad, verheugd om de eer van zulk een' zoon genoten.
Zijn roUende geheent' noch stuivende assche nam
Maar rigtte een steenen heeld. De Nijd spoog vieren vlam,
Om haren zuigeling van 't hoog-altaar te stooten :
Dan och! die Groote keert zich niet aan nijd noch spijl.
Geen graf hestulpt zijn faam. Hij heldert met den lijd.
derstcunt mij nu nog in mijn dichten, d. i.: gij geeft nu nog krachten
nadruk aan mijn dichten. Zekerlijk, dit stukje, lieve lezers! is geenszins
het minste van vondels dichterlijke voortbrengselen. »De toon is,"
gelijk de Heer b. u. ujlofs aanmerkt, »woord- en klankspelend; de
»woord- en klankspelingen zijn "échter gelukkig, en het geheele stukje
»is hartelijk cn aandoenlijk, schoon met vele uitdrukkingen van sterke
»verontwaardiging doormengd."
(*) latium was een landschap inOricken staat hier yoox Grieken-
landi de dichter wil zeggen: de wijsheid, welke in de geschriften der Ro-
ineinen en Grieken opgesloten ligt, uerd ter kanmsse gebragt tan alle Chris-
tenen mei de komsi van erasmus; hij zegt dit met regt, omdat eras-
mus een van de voornaamste kenners en herstellers was der oude
Letterkunde. (-) llij ligt namelijk tc Bazel begraven; zijne geboor-
testad, zegt \0NDEL dichterlijk, versmaadde zijn vergankelijk over-
schot, om hem onvergankelijk te doen leven door liet oprigten van
oen standbeeld. Het steenen beeld te Rotterdam, ter eere van
ERASMUS opgcrigt , werd in 1572 door de Spanjaarden neergeworpen,
daarna weder hersteld en in 1622 door een koperen vervangen. Het
voetstuk van het standbeeld wordt hier dichterlijk het hoog-altaar
geheeten, gelijk aan het slot erasmus zelf een Heilige wordt genoemd.