Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JOOST VAN DEN VONDEL. iïJ)
Dit merkte een wakkere haagdis,
Die vrouw Natuur in stilheid dient.
Den mensch hemint en gunstig is,
En gadeslaat en houdt te vriend.
Hoe was dit lieve dier zoo hang !
Zij kroop verbaasd op hals en wang.
Zij streek ze en wekte ze op het lest
Met strijken, regt alsof ze riep:
Waakt op! waakt op! ontvlugt deez' pest ! —
Het paar ontwaakte, en zag en liep
En strooide in 't loopen voor gevaar
Den schoot met bloemen hier en daar
Nu twijfel ik niet langer, of
Het een of ander stomme dier
Bewaakt de onnoozlen en haar lof
Behoeft noch handbus noch rappier
Al schiet eene adder gif en gal,
De deugd is veilig overal
Te weten, dat aan de beide meisjes eenig leed mogt geschieden.
Even, alsof. ('*) De Ouden verhalen van de hagedis, dat zij de te-
genwoordigheid der menschen bemint, en dezelve voor eenig naderend
gevaar waarschuwt, alsmede dat zij eene vijandin is van slangen en ad-
ders. De dichter, het oog hebbende op dit verhaal, maakt van het-
zelve in de lieve beschrijving der hagedis een fraai gebruik. De ang-
stige zorgvuldigheid van dit diertje voor het behoud der beide meisjes
en de schrik en vlugt van deze, op het gezigt van het ondier,
schijnen ons toe veel onderscheiding en lof te verdienen. ïleefl
(jeene verdediging van wapenen noodig ; rappier is een degen of zijdgeweer.
De dichter voegt dit slot, ook om met eene narede te eindigen,
gelijk hij met eene inleiding begonnen was, zeer gepast bij dit verhaal.
Men herinnere zich , wat wij in onze Inleiding op dit stukje gezegd
hebben.