Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
-iS JOOST VAN DEN VONOEL.
Twee jonge maagden waren uit-
Gegaan, in 't krieken van den dag,
Daar niemand hek noch draaiboom sluil.
Het Gooi voor ieder openlag.
Natuur haar keur van bloemen mild
Alzins te plukken gaf in 't wild.
De lentezon bescheen het groen
Met puik van stralen overal:
Het landschap stond in zijn saizoen
De bijen zogen berg en dal
Van honig ledig tegelijk.
En alle honigkorven rijk
De maagden op een heuvelkijn
Gelegen, en van plukken moe.
Beschut met loof voor zonneschijn
En zon, haar oogen loken toe.
En sliepen zoo gerust in 't gras.
Alsof de slaap haar hart genas C^).
Maar midden onder 't slapen kwam
Eene adder uit haar duister hol
Gekropen langs een' eikenstam,,
Zij glom om haren hals, en zwol
Allengs van boosheid in den dag
Toen zij de zusters liggen zag.
(liclitstukje eens zoo te noemen , wordt onze belangstelling opgewekt
en ons verlangen gaande gemaakt naar 's dichters verder verhaal.
(5) Een landschap in Noord-Holland, waartoe de steden Gaarden, i^/wy-
den, Weesp en onderscheidene dorpen behooren. {*) Van alle kanten,
ovet-al. Schoonheid, pracht. Een aardige zet! en lioe schoon is
boven de Natuur beschreven! Alsof de slaap al hare begeerten en
verlangens stilde. Fraai heeft ons de dichter de onschuldige meisjes ge-
schilderd, terwijl hij^ tot eene treffende tegenstelling, de beschrijving
der boosaardige adder hierop laat volgen; men mag deze beschrijving
met regt voor een meesterstuk houden. Zij scheen zoo van boosheid
op te ztvcllen, dat het naar buiten zigtbaar iverd.