Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JOOST VAN DEN VONDEL. iïJ)
En 't zieltje zelf ging glippen —
Toen stond, helaas! de jammerende schaar
Met tranen om de haar,
En kermde nog op 't lijk van haar gespeel.
En wenschte lot en deel
Te hebben met haar kaartje K
En dood te zijn als saartje.
De speelnoot vlocht, toen 't anders niet mogt zijn,
Een' krans van rosmarijn,
Ter liefde van beur beste kameraad.
O Kranke troost! wat baat
De groene en gouden loover?
Die staatsie gaat haast over
de getrouwe hagedis.
De gebeurtenis , welke het onderwerp uitmaakt van dit stukje, en
die door vondel in zeer bevallige verzen wordt voorgedragen, viel mis-
schien voor met een paar dochters van den Heer van hinlopen, buiten
Naarden. Het kan echter ook zijn, dat alles eigene vinding is van den
dichter, en dan doen hem deze regelen gewis geene mindere eere aan.
Men lette vooral op de waarheid, die hier in zulk een bevallig licht
geplaatst wordt, dat namelijk de deugd overal veilig is.
Gelukkig is zij ('), die hier leeft
Van zorgen en gevaar bevrijd.
En altijd eene schildwacht heeft;
Want zelden leeft men zonder strij^^
En ongeval en harteleed
Genaakt den mensch, ook eer men 't weet (-).

Kort, maar roerend. lieve speelnootje. Zin: o Ellendige
troost voor het ouderlijke hart; wat helpt de groene loover krans met klatergoud
doorweven ? Immers zijne schoonheid ver/lenst weldra! De diepe rouw over het
verlies van zijn kind is hier slechts met een enkel woord, maar innig cn
oorspronkelijk uitgedrukt.
(*) T. w. de maagd of jongedochter. Het begin is gelukkig geko-
zen. Door de voorafspraak of inleiding, om het eerste couplet van dit