Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JOOST VAN DEN VONDEE. 57
Schenkt de zielen,
Die daar krielen,
Dartel van veel overvloeds
Leer dan reizen
Met gepeizen
Naar paleizen ,
Uit het slik
Dezer werreld,
Die zoo dwerrelt.
Eeuwig gaat voor oogenblik
UITVAART VAN MIJN ÜOCIITEUKEN.
Een fraaije tegenhanger van het vorige stukje, en den Prins onzer
Nederlandsche Dichters ovcrwaardig. Hij vervaardigde hetzelve op dc
begrafenis van zijn dochtertje saartje. Alles in dit stukje is dichter-
lijk : dc persoonsverbeelding van den dood, die van omhoog met zijne
scherpe pijlen op dc onnoozele kinderen mikt, en zich in de tranen
der moeders verheugt; de geestige schildering van het kind in zijne
onschuldige spelen; de droefenis der speelnootjes, en eindelijk het tref-
fende slot van het geheel.
De felle dood, die nu geen wit (*) mag zien,
Verschoont de grijze lién.
Zij (2) zit omhoog, en mikt met haren schicht
Op het onnoozel wicht,
En lacht wanneer in 't scheijen
De droeve moeders schreijen
Ziehier wederom, met eenen enkelen trek, het leven der Enge-
len, als rijk in alle wellusten en genoegens, geschilderd. Zin: Ver-
kef 11 rnel itu e gedachten uit het slijk dezer onbestendige wereld naar de heer-
lijke uoningen des Hemels; wat eeuwig duurt, is beter dan dit kortstondig le-
ven. Hoe verheven eindigen deze fraaije verzen! Is het wonder, dat
dichters Konstantijntje, bij alle kunstregters, voor een juweeltje van ge-
voelvolle poëzij wordt gehouden?
(*) Vrolijkheid. (-) Te weten de dood, die hier vrouwelijk wordt ge-
bruikt. Omdat de dood dikwijls de onmondigen uit dc minnende
armen hunner ouders rukt, wordt hij hier voorgesteld, als zich in de