Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
56 JÜOST VAN DEN VONDEL.
kindeulij k.
In dit stukje betreurde tondel den dood van zijn zoontje konstan-
tijn, dat als een teeder knaapje overleed. Het kind, dat een Engeltje
geworden is, wordt voorgesteld zijne moeder uit den Hemel vertroos
tend toe te spreken. Men zal het liefelijke, zoetvloeijende cn kunstige
(de maat toch is geheel bijzonder cn heeft niets gedwongens) van dit
gedichtje, ook zonder eenige aanwijzing, dadelijk gevoelen.
Konstantuntje ,
't Zalig kijmje Q),
't Cherubijntje
Van omhoog,
De ijdelheden,
Hierbeneden
Uitlacht met een lodderoog
Moeder! zeit hij,
Waarom schreit gij?
Waarom greit gij
u Op mijn lijk?
Boven leef ik,
Boven zweef ik.
Engeltje van 't Hemelrijk
En ik blink er,
En ik drink er
't Geen de schinker Q)
Alles goeds
drijnenvan hooft, op bl. 1—4, en inzonderheid met die van cats, op bl.
14—16. Welk een groot onderscheid! Van de eentoonigheid des laatsten
en de stijfheid des eersten is vondel altijd vrij.
(*) Kindje. Welke hiabeneden, hier op aarde zijn. (5) Lonkend, lagchend oog.
Zoo weet de dichter, met een enkel woord, de zaligheid des kinds,
hetwelk niet weder terugverlangt de ijdelheden dezer aarde, af te
schetsen. Treurt, klaagt. Dit .vers is beurtelings aandoenlijk en
verheffend; aandoenlijk, wegens de roerende vraag, die het kind aan
zijne moeder doet, en verheffend, wegens de beschrijving, die het kind
van zijne zaligheid geeft. Dat is: Ik baad mij in het licht des Hemels,
hetwelk weder van mij straalt en ik geniet in dc ruimste mate. Gever.