Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
.JOOST VAN IJEtS VONDEt.
Ter wereld ooit gevonden (*)?
Twee zielen, gloénde aaneengesmeed
Of vastgeschakeld en verbonden
Jn lief en leed.
De band, die 't harte bindt
Der moeder aan het kind.
Gebaard met wee en smarte.
Aan hare borst met melk gevoed,
Zoo lang gedragen onder 't harte.
Verbindt het bloed (3).
Nog sterker bindt de band
Van 't paar, door hand aan hand
Verknocht om niet te scheiden.
Nadat ze jaren lang gepaard,
Een kuisch en vreedzaam leven leidden,
Gelijk van aard (''*).
Daar zoo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel
En hart met hart te gader.
Die liefde is sterker dan de dood.
Geen liefde komt Gods liefde nader,
Of is zoo groot
(*) De aanhef is echt lyrisch'; de dichter, vol zijnde van verrukking
en geestdrift voor zijn onderwerp, moet deze zijne gemoedsbeweging
dadelijk ontboezemen. (®) Schoone beelden, om de verkleefdheid tus-
schen echtgenooten voorloopig te schetsen. Vondel maakt in dit
vers op eene meesterlijke wijze een' verrassenden sprong; hij schijnt
zijne aandacht van het onderwerp, dat hij bezingen wil, af te trekken,
en haar te vestigen op den band, waardoor eene moeder zich aan haar
kind verbonden gevoelt; maar hij doet dit slechts voor een oogenblik:
nadat hij den band tusschen moeder en kind onnavolgbaar fraai en
teeder heeft geschetst, wendt hij zich dadelijk weder in het volgende
vers tot zijn onderwerp, om nu het schoonste gebruik van zijne schijn-
bare afdwaling te maken. (*) Is er geen band, die vaster vereenigt dan
die, waarmede minnende echtgenooten omstrengeld zijn, hoe zou de
dichter dit treffender kunnen uitdrukken, dan door denzelven boven
den band, dien de Natuur zoo innig legt, tc verheffen? (®) Een vers,