Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
-iS JOOST VAN DEN VONOEL.
RAFACL.
Aartsengel GABRiëil doorluclitigste gezant!
Deez' Lusthof, die de kroon A^an 's aardrijks hoven spant.
Behoeft geen' Englenlof, en gaat het al te Loven.
Het lofLazuinen kan zijn scLoonheid slechts verdooven
])e Godheid wandelde in de lommer van deez' Liaan,
En liet na 't planten in den Hof haar stappen staan
God heiligde den grond, zoo zegenrijk betreden
En schonk deez' streek den naam van wellust, dat isEden(*^),
Daar geen volkomenheid ontbreekt in 's menschen oog
LOF DER GODHEID.
Dit gedicht, dat door Engelen in het Treurspel Luciftr gezongen
wordt en een van to.ndel's nimmer volprezene Ueijen uitmaakt, is een
onovertroffen Hymms of Heilige Lofzang op het Opperwezen , in stoute
verhevenheid met die Psalmen overeenkomende, waaiin de grootheid
en heerlijkheid van God bezongen worden. Hetzelve bestaat uit drie
gedeelten. In den Zang^ of het eerste gedeelte des gcdichts, wordt door
Engelen gevraagd, wie het is, die in een grondeloos liclit gezeten, de
oorzaak moet genoemd worden van al wat bestaat. . In den Tegenzang
beantwoorden andere Engelen die vraag, terwijl zij nog verder over
Gods onbegrijpelijke grootheid uitweiden. Door den Toezang eindelijk,
wordt het gedicht met eene algemeene lofverhefllng van het Opperwe-
zen besloten.
mengeld met bloemen, dan zelfs de hand der Engelen zou kunnen
borduren; hoe oorspronkelijk wordt de zonnebloem beschreven, als in
haar binnenste schijnende te gloeijen en te fonkelen van levendige,
schitterende stralen; boe fraai en als voor het oog wordt het onder-
scheiden boomgewas met deszelfs vruchten geschilderd, en — om niet
al te veel op te sommen —hoe treffend besluit vondel, door ons op
den Maker van dit alles te wijzen, deze, om haar zoo eens te noemen,
paradijsachtige beschrijving! Geene lofverheffing vermag zijne schoon-
heid naar waarde te roemen. Een verheven dichterlijk tlenkbeeld.
Dien Hij met zoo veel zegen betrad, waarop Hij zoo vele zegeningen
uUstortte, Eden beteekent in het Hebreeuwsch liefelijkheid, wellust.
Dit antwoord van rafacl, boewei kort, is een gepaste weerklank op
de welhudende toonen, die wij «ABRiëL hoorden aanheffen.