Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
a joost i)i:n vomjel.
JOOST VAN DEN VONDEL aanschouwde het eerste levens-
licht te Keulen den November , 1587. Hij was Kouscn-
kooper te Amsterdam en later Boekhouder in de Bank van Lee-
hing aldaar. Hij overleed den S''®" Februarij, 1679, in den
hoogen ouderdom van 91 jaar. De meeste kunstregters houde»
hem, cn wij gelooven met regt, voor Neérlands grootstcn dichter.
nUlïEN PLEIT VOOR ZIJNEN BROEDER JOSEPll.
(Uit het Treurspel: Joseph in Dothan.)
SiMEOiv en levi hebben in het voorafgaande gedeelte van dit Treurspel,
bij afwezigheid van ruben, sterk op joseph's dood aangedrongen. Judas
heeft getracht, doch vruchteloos, hen van dit snoode voornemen af te
brengen. Hij maakt ruben thans met het plan der anderen bekend ,
waarop deze, in krachtige en gevoelvolle taal, zijn' afschuw van den be-
raamden broedermoord te kennen geeft.
judas, ruben.
Gij komt nu regt van pas, om mee uw stem te geven.
ruben.
"Waartoe toch
judas.
Josephkomt, men raadpleegt om liem'tleven
Te nemen, en een' poel te dempen met zijn lijf
ruben.
Mijn hax-en staan te Lerge en al mijn leden stijf.
o Gruwelijke daad! sla van mij , tree niet nader.
Wij broeders, voortgeteeld van cénen zelfden vader.
Wij takken van één' stam de klaauwen zóó verwoed
Aan onzen Lroeder slaan; te plassen in dat Lloed;
Het vaderlijke hart in broeders borst doorstooten;
Dien ouden kouden man van 't waardste pand ontblooten?
Mij gruwelt, dat ik 't hoor: om Gods wil, zwijg toch stil !
(') De dialoog of zamenspraak is in dit stuk niet de minste uit \ox-
del's Treurspelen; zij is levendig, ongezocht en duidelijk. (2) Dich-
terlijk, voor: hem in een^ kuil te werpen. Yertvijdcr u uil mijne oogen.
Hoe treffend laat vokdel hier den ontstelden cn verbaasden uuben
spreken; hoe wel is het denkbeeld gekozen, ten einde het medelijden
op te wekken: wij takken van céncn stam, voor: wij alle zonm van éénen