Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
DIRK RÄFELSZ. CAMPIIUYSEX. 41
Elk nogtans lieeft wel te letten
Op zijn eigen dat of dit,
Waar en hoe zijn Popje zit
Goed noch kwaad heeft mee zijn wetten.
Vraagt ge Avat ze zijn? in *t kort:
Dat de Pop geen Afgod wordt.
't Popje kan een* Afgod telen.
Als een al te groote waan
Tot de lust wordt toegedaan.
Daar gaat spel dan boven spelen ,
Daar wordt pleisterplaats verblijf,
En het lustpaard draaft te stijf.
Neen: het mag ze wel verkwikken,
Maar geen lieer zijn van Natuur.
Al te veel heeft kwaden duur.
Maat moet alle dingen schikken,
't Popje is zoet, doch te gering
Voor het hart, zoo eélen ding.
Dan heeft lust het hart bezeten ,
Als men 't hem zoo ver inruimt,
Dat men daardoor iet verzuimt.
iUng van anderer vermaak op het zijne, is hier zeer aardig. Dc
dichter wil zeggen; elk heeft toe te zien, of het popje misschien ook in
het liart zit en aldaar den meester gaat spelen. ('*) Die dingen, welke,
op zich zelve beschouwd, goed noch kwaad zijn, t. w, zulke onschuldige ver-
maken, als hij er zoo even onderscheidene heeft opgenoemd. Ei-
genlijk ijdele verbeelding, hier voor drift, harlstogt, Daar begint het
vermaak den baas te spelen. Wanneer het popje, wil de dichter zeggen,
een afgod geworden is, dan neemt het geheel de ziel in; men houdt er
zich te lang on te veel bij op enjaat er zich geheel door wegslepen;
dit laatste drukt camphuysen in de beide volgende regels zeer aardig uit.
T. w. het popje; dit, zoo als de dichter verder aanmerkt, mag wel
tot veraangenaming van ons leven strekken; maar wij mogen er ons niet
door laten beheerschen : eene gewiglitje les, die ccliter te dikwijls ver-
geten wordt.