Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
DIRK RAFELSZ. GAMPHUTSEX. 37
Dies is de tijd weer omgekeerd,
Waarin Natuur verjonkt
Haars milden Scheppers goedheid eert,
En met zijn gaven pronkt.
De Mei , wiens zoetheid zoo ver strekt,
Dat zijn gedachtenis
In 's menschen geest al vreugd verwekt,
Eer hij voorhanden is (').
De Mei, liet schoonste van het jaar,
Daar alles is verfraaid,
De lucht is zoet, de zon schijnt klaar
't Gewenschte windje waait.
Het dauwtjen in de koele nacht
Wordt over 't veld verspreid,
Waardoor de heel Nature lacht,
En is vol dankhaarheid
(®) Een jeugdig voorkomen verkrijgt, op nieuws geboren wordt. Voeg er
achter uit het voorgaande vers: is weerom gekeerd. (') De zoetheid of
aanminnigheid der kleimaand is zoo groot, wii de dichter zeggen, dat
de gedachte aan dezelve, reeds vóór hare komst, het gemoed met blijde
gewaarwordingen vervult. Hier en vervolgens schildert camphuysen,
met een bevallig penseel, onderscheidene Natuurschoonheden zoo ver-
rukkelijk'af, dat wij ons nog meer aangespoord zullen gevoelen, om op
eenen schoonen Meimorgen naar buiten te gaan en den wijzen en goe-
den Schepper, op het voetspoor des dichters, te verheerlijken. Met
opzet wordt in dit vers en de volgende veel gebruik gemaakt van ver-
kleinwoorden; zij moeten dienen, om het bevallige, zachte en teedcie
der Natuurschoonheden uit te drukken. De droppelen des dauws,
over velden en boomen verspreid en door de lentezon in den vroegen
morgenstond beschenen, geven aan de Natuur, die hier als een persoon
wordt voorgesteld, een voorkomen, als lachte zij haren Schepper en den
mensch vol dankbaarheid tegen; dit dichterlijk denkbeeld, zoo geheel
voortvloeijende uit een gevoelig gemoed, is hier bijzonder bevallig ge-
plaatst; men lette ook op de beide volgende meesterlijke verzen, die
bij uilstek schilderachtig en zoetvloeijend zijn.