Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
.lACOB CATS.
De steen geslingerd uit 'er hand,
De stemme buiten uwen tand,
Zoo is de slag alreé gegaan,
En daar en is geen houwen aan.
Dies eer de pijl is in de lucht.
De snelle vogel op de vliigt,
■ De steen geslingerd uit 'er hand,
De woorden buiten uwen tand,
Zoo weeg ten naauwste, deftig man!
Wat dal er af gebeuren kan (®) •
Want als het onheil is geschied.
Zoo geldt ontijdig klagen niet
korte spreuken.
Weet iemand zijn geschenk met woorden op te pronken,
Al is de gave klein, nog schijnt er veel geschonken-,
Maar een, die wal hij schenkt, met sture wangen (') geeft,
Is ook in mildheid, vrek, in heuschheid, onbeleefd
Wilt gij bemind en eerlijk leven?
Ik wil u des een' regel geven.
Vier dingen dient gij wel te weten :
Geleden onregt haast vergeten.
Ontvangen weldaad lang gedenken.
Geen' mensch door achterklap te krenken j
(*) De. Hoedanig de gevolgen daarvan kunnen zijn. Baat. Wij
trekken cle aanmerkingen, die wij op elk dezer drie stukjes maken
kunnen, ten einde niet in herhalingen te vallen, in ééne aanmerking
te zamen; eenvoudige en zelfs onbeduidende dingen, ook uit de kin-
derwereld, worden door cats dienstbaar gemaakt aan het voordragen
en inprenten van heilzame levenslessen; er is niets, dat zijne aandacht
ontgaat, en dat bij niet tevens bevallig en aangenaam op den mensch
weet toe te passen. Waar is de dichter, die hem daarin evenaart,
laat staan, overtreft? Het naast komt hem jan lüikex.
(») Met een onvriendelijk gezigt. (-) Eenè ware opmerking, waarvan
inzonderheid de laatste regel regt spreukachtig is.