Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JACÜB CATS.
De zee verrijkt het land, en dat in verre leden
De zee maakt dat liet land den vijand overwint.
Gij daarom Lomvt de zee, zoo gij liet land bemint
En valt dan aan het werk met onversaagde zinnen,
Gij zult gewissen buit, groot lof en eere winnen.
Want als naar regten eisch, de leeuw de bende leidt,
Daar is geen twijfel aan, de zege is bereid.
van het riet en den eikenroom.
De leeringen, welke in deze en de volgende Fabel zijn vervat,
worden door cats zeiven, met duidelijke woorden, opgegeven. "Wij
willen tot lof dezer dichtregelen niets meer aanmerken, dan dat in
dezelve bij uitstek nuttige lessen met de grootste gemakkelijkheid —
trouwens dit is het doorgaand kenmerk van den zoetvloeijenden dich-
ter — worden voorgedragen.
Een omgewaaide eikenboom
Kwam drijven met een' snellen stroom,
Kwam drijven in het groene riet,
Gewassen aan den gullen vliet;
En ziende, dat het dun gewas
Niet van den wind beschadigd Avas,
Zoo sprak terstond dit eikenhout (*) :
Ik ben geslingerd uit het woud,
Ik ben getrokken uit den grond ,
Hoe vast dat ik geworteld stond ,
Ik ben met krachten neergedrukt.
En in der haast daarheen gerukt;
Zin: (k rijkdommen, die de zeevaart in het Land brengt, verspreiden
zich ook in die standen der maatschappij, welke met haar in geene onmid^
dcWijKe verbinding slaan. Is dat niet eene fraaije lofrede op de zee,
welke het regtgeaard Nederlandsch harte goed doet? De dichter
bedoelt met den leemv den grooten Vlootvoogd, marten harpertszoon
TROMP, op wiens verliefling tot Admiraal hij deze verzen vervaardigde.
(') Moii luistere, lioe levendig het eikenhout vertelt, op wélk eene
(Uitzettende wijze het door den storm is geteisterd geworden! Dat voor
liet overige de eik met hei riet sprekende wordt voorgesteld, behoort
tol het eigenaardige der Fabel. Gtille vliet beteekent eene nelig stroo-
mende rivier.