Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
li JACOB CATS.
liet leven te reizen, aan tlicgenen mede te deelcn , welke naar hem
luisteren willen.
Terwijl een rap gezel, met onvermoeide gangen,
Zich op een' verren weg tot reizen had gesteld.
Zoo wordt hij van den slaap in zeker woud Levangen,
Vermits de zwarte nacht omving het gansche veld;
Des zoekt hij daaromtrent waar zich tot rust te geven ,
Om door een' zoeten slaap te krijgen nieuwe kracht;
Hij vindt Lenevens zich een plaatse wat verheven;
Hier kies ik (zegt de vriend) mijn Led voor dezen nacht.
Hij meende, dat hij zag een' heuvel op den velde.
En zie een schildpad zat gedoken in het zand;
Hierop was 't, dat de man zich om te rusten stelde,
V^ermits hij daaromtrent geen Leter plaats en vand C^);
De vriend, zoo haast hij zat, Legon terstond te slapen,
Gelijk men in 't gemeen met moede leden plagt;
Het Leest rijst onder dies om zijnen kost te rapen.
En gaat een' stagen tred Lijna den gansclien nacht.
Als nu de gulden zon kwam weder aangereden
En dat meteen de slaap den jongeling verliet.
Zoo stelt hij zijnen gang om vorder aan te treden,
Maar hij en kent het land, hij kent de wegen niet.
Hoe (zeit hij) droom ik dan? of Len ik Luiten zinnen?
Of is op ée'nen nacht dit gansche woud verdraaid C^)?
)S Wat vreemdigheid is dit? wat zal ik gaan Leginnen?
Waar dat ik henen keer, mij dunkt ik sta Lekaaid !
Waar is de groote rots, die aan den wege pSalde?
{*) De nacht wordt hier voorgesteld als eene vrouw, in oenen wijden
mantel gehuld, waarmede zij, gelijk de dichter zegt, het gansche veld
omvangt. Cats heeft hierbij, tot opheldering, de volgende aanmer-
king gevoegd: Staat ie leiten, dat in de heete landen schildpadden zijn, die
meer dan een' mensche kunnen dragen, en daarmede voortkruipen, gelijk ge--
loofwaardige lieden, die zulks zeggen gezien te hebben, kunnen getuigen,
(') Vond. Romeinsche dichters spreken van een'zonnewagen, welke
door eencn God langs den hemel wordt gemend; van dit dichterlijk
denkbeeld wordt hier een fraai gebruik gemaakt. (•') Verder. De
verNYondcring en verbazing van den reiziger kunnen niet beter worden
uitgedrukt. (') Veranderd, Verlegen.