Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
12 anna en maria tesselschade visscher.
lof des nachtegaals.
Deze ovcrliefelijke dichtregelen maken een gedeelte uit van een
stukje, door maria. tkssiELSChade vervaardigd ter eere van maria pilt,
eene harer vriendinnen, welke zeer fraai zong. Zij vergelijkt, in dat
btukje, het zingen harer vriendin, die zij aardig de lamme zangster
noemt, met het zingen der wilde zangster, t. w. des nachtegaals, en
kent aan gene, boven dezen, verre den voorrang toe. "NVij schrijven
^ alleen af, wat zij, tot roem van de wilde zangster, zoo bevallig heeft
gezongen.
Prijst vrij den nachtegaal,
Als hij u menigmaal
Verlust en schatert uit Q):
zingend vedertje en een gewiekt geluid P).
Wiens kwinkelere zoet
De oore luistren doet,
Gaatiw, naar het tiereliert je
Der vlugge luchtigheid van 't oolijk vrolijk diertje.
Wiens tjilpend schril geluid
Gelijk een orgel fluit.
Veel losse toontjes speelt.
En met één tong alleen als duizend tongen kweelt.
Zijn hoog en lage zwier
Met liefelijk getier
Van 't helle, schelle zoetje C')
Vermeestert al 't gezang van 't zingend, springend goedje.

(*) Verlustigt en zijn* zang uilschatert, d. i. met volle, heldere toonen
:cingt. (2) Zij noemt den nachtegaal, oorspronkelijk, een zingend vedertje^
wegens zijne kleinheid, en een gewiekt geluid, omdat hij, als 't ware,
alleen uit welluidenden zang, of muaijk, schijnt te bestaan. Eene
omzetting, voor zoet kwinkeleren. Losse buigzame toonen; zij wil in
de voorafgaande regels zeggen, dat, wanneer de nachtegaal maar cénen
kwinkelerenden toon aanslaat, het oor dadelijk begeerig wordt, om
naar deszelfs verderen zang, met belangstelling, te luisteren. (®) Eigen-
lijk loos; hier lief. wending, draai in het zingen, (') Zoelheid, d. i.
bevalligheid van zang. (®) Gaat tc boven.