Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
2 PIETER CORNELISZOON HOOFT.
En, met verslegen liart betreurt
De droefheid, die ons valt te beurt?
Die deez' versufte schaar ziet gaan,
Met zorg, met rouw, met angst belaan.
Schoorvoetend uit hun vaderland:
Wel heeft hij 't hart van diamant (0),
Ziet hij 't met onbewogen oog.
Houdt iemand wang van tranen droog,
Geen mensch, maar eenig woedig C^) dier
iMoet hem gewonnen hebben. — Hier
Voeteert de vrouw van kinde groot ,
Deez' draagt den zuigling in haar* schoot
En siddert, duchtend' even zeer
Voor man, voor kind, voor lijf, voor eer,
\^ar dat zij hoort den minsten schreeuw
Hier gaat de nagelaten weeuw,
Zoo kinderrijk als zonder kind :
En elk zijn' staat bekommerst vindt.
Hier gaat de rijpe maagd verloofd-,
Die minnewalm den boezem stooft:
En treedt voor haren bruigom uit,
In plaats van ingehaalde bruid
veel treffends; ware hooft begonnen met te zeggen: Er is u cl niemand,
uien de wreedheid zoo diep in het gebeente zity dan zou de aanvang onge-
twijfeld veel flaauwer en matter geklonken hebben. {*) Versiagen. (*)
In droefheid wegkwijnende. (*) Ongaarne vertrekkende. Het woord schoor-
voeten is goed gekozen; het bet eekent eigenlijk: den voet dwars zetten, en
vandaar onwillig voortgaaj^ Voorwaar hij heeft. Dichterlijk voor :
een hart, dal door niets gctro/fen of bewogen wordt; de diamant is, gelijk
men weet, het hardste van alle edelgesteenten. Woedend, wild,
Voortgebragt. — Hoe krachtig en met hoe veel verscheidenheid weet
de dichter het denkbeeld uit te drukken, dat hij, die zulk een' optogt
van ballingen uit hun Vaderland zonder ontroering kau zien vertrek-
ken, wel een gevoelloos mensch mag heeten. Gaat, treedt. Zwan-
gere vrouw. De angst der moeder en echtgenoote is, hoewel slechts
in vier regelen, treffend gemaald. Zoowel rijk in kindei-cn als van de-
zelve verstoken. Hooft wil zeggen: zij heeft wel veel kinderen, maar zif
kan zich ook beschouwen als geene kinderen hebbende, omdat zij ze
in het Vaderland moet achterlaten. (»') Verliefdheid. (**) De minnende